is toegevoegd aan je favorieten.

Nederduitsch taalkundig woordenboek.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

G E.

165

GEWORDEN, onziid» werkw. Van worden, met het voorvoegfel ge. Verkrijgen , bekomen, met den derden naamval des perfoons: dat geld gewordt mij • is mij geworden, zal mij geworden. — Iemand laten geworden, wordt ook voor laten begaan gebezigd: laat hem geworden, laat hem begaan.

GEWORMTE, z. n., 0., des gewormtes, of van het gewormte; zonder meerv. Wormen. Het woord is meest gebruikelijk van zulke wormen , die in des menfchen ligchaam huisvesten. — Hij wordt van het gewormte bijna verteerd. Vooral van de wormen des grafs; na mijnen dood word ik eene prooi voor het gewormte.

GE WOUD, z. n., o., des gewonds, of van het gewoud; zonder meerv. Hetzelfde als geweld. Oudtijds was dit woord in gebruik. Hooft bezigt het nog: in 't gewout van anderen. En Vondel zegt ergens : Troje fiaet in uw gewout.

GEWRICHT, z> n., 0., des gewrichts, of van het gewricht; meerv. gewrichten. Zamenvoeging van de leden: het gewricht der heup. — Ik heb in al mijne gewrichten pijn. Overdragtig, voor den gewonen Hand, waarin iets zich bevindt: het vaartuig wordt, onder het ftormen , uit zijn gewricht gerukt. Voor den zamenloop van tijds omftandigheden: in dit gewricht van tijdt. Hooft. Het woord komt , wuarfchijnlijk, van wrijven; zoodat het, eigenlijk, moest gefpeld worden, gewrijft, gewrift. De verwisfeling van f en ch is bekend; daarom wordt achter ook after uitgelprokcn, en luchtig luidt vaak luftig. Omdat nu, in de gewrichten, de beenderen zich gedurig wrijven, zal men de afleiding billijken. Bij Kiliaan vindt men nog wrijf, dat, in Gelderland, wrije, vrije, voov.wrijve, wordt uitgefproken, en de plaats aanduidt, waar het fcheenbeen met den voet vereenigd wordt, de wring, elders geheten, om de wrijvende draaijing.

GEWROCHT, z. n., 0., des gewrochts, of van het gewrocht; meerv. gewrochten. Uitwerkfel: men kent de .oorzaak uit hare gewrochten. Het Ramt af, door letterverzetting, van werken.

GE WULF, zie gewelf.

GEZAAI, z.n., 0., des gezaais, of van het gezaai; zondes: meerv. Dat gezaaid is: komt uw gezaai haast op ? Men fpreekt dus' in de dagelijkfche taal. Het is te onderL 3 fchei-