is toegevoegd aan je favorieten.

Nederduitsch taalkundig woordenboek.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ipö G E".

fcheiden van bet gezaaide, welk het uitgefprorene koren, zoo als het alreeds groene halmen draagt, aanduidt | ja, van volwasfen graan zelfs gebruikt wordt.

GEZABBER, z. n., o., des gezabbers, of van het gezab* ter; zonder meerv. Eene gedurige kwijling van iemand, ^ die de^ zeve.'laat loopen. Zie zak.eren, zeveren.

GEZAG, z. n., o., des gezags, of van bet gezag; zopder meerv. Aanzien en magt, uit eene aanzienlijke geboorte, of eenen hoogen ouderdom, of rijkdommen, of waardigheid, of verdienden, of ambtsbetrekking eoordvloeijende, waardoor in anderen ontzag, gehoorzaamheid, eerbied, en fomtijds vrees verwekt worden. Het koninglijke gezag, enz. Zich gezag aanmatigen. Het gezag over eene vloot voeren.

Hetzij men uit woord van zien, oudtijds zichen, zigen, of zegen, waarvan de verled. tijd zag nog overig is; of Ijevèf van zeggen, voor bevelen, aHeide, zoo als Kil. gnefegh, ghefigh heeft, en het door diciio en auctoritas verklaart; beide t<;ont aan, dat men niet gezach, maar gezag moet fchrijven, fchoon de uitfpraak meest naar het 1'cberpe helt. Zamenftell.: oppergezag, rijksgezag, gezaghebber — hehjler, gezagvoerer, (gezagvoerder) tnz.

GbZAGTJGEN, bedr. w., gelijkvl. Ik gezagtigde, heb gezagttgd. Door gezag onderfteunen. Rieiche Schrijvers gebruiken dit woord. Men vindt het in de overzetting van J. Hervey, in navolging van welke FrantZen fchrijft: gezochtigd door de tnfeilbaare leidins.

GEZAMENDERHAND, bijw. Gezamenlijk. Zij florm^ den gezamenderhand op de ftad aan. Van zatnen, en hand.

GEZAMENLIJK, bijw. Zie het vorige. Sommigen fpellen en fchrijven gezamentlijk, en fpreken het uit gezawèntlijki. beide is aftekeuren. Zie lijk.

GEZANG, z. n.f o., des gezangs, of van het gezang; meerv. gezangen. De daad van zingen ; zonder meer-

, youri i hoor dat lieflijke gezang! — Het zoete gezang der vogelen. ( Een lied, dat gezongen wordt: zij heffen de gezangen aan, ter eer e der Godheid. Dat gezongen kan worden : ik heb dat boek met gezangen voor mij laten koop.en, Zamenftell.: gezangboek -— feestgezang , kerkgezang , lofgezang, pfalm gezang, /haargezang, veldgezang, enz,

GEZANT, z. n., m., des gezants, of van den gezant; , meerv, gezanten. Een perfoon, die, om de belangen

cles