Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

fldö H A.

de het lat. ardere .overeenkomt. Dan, daar haard, in èe verwantfchapte talen, niet enkel eene vuurft de, maar ook eene plaats, op de oppervlakte van den grond, tot een zeker gebruik beftemd, aanduidt, meent Adelung, dat het van aarde afdamt.

HAARKLOOVEN, onz. w., gelijkvl. Ik haarkloofde, heb gehaarkloofd. Eigenlijk een haar doorklieven, fpouwen. Overdr., over beuzelingen knibbelen. Van hier haarkloover , haarklooverij, haarklooving.

HAAS, z. n., m., des hazen, of van den haas; meerv. hazen. Een bekend wild. Eenen haas in het leger fchieten. Vele honden zijn des hazen dood, men moet voor de overmagt bukken. Om de gelijkheid van gedaante en kortheid van het vleesch, noemt men eenen haas den uirgefncdenen lap vleesch, achter het nierenbtd van een llagtbeest zittende. Verkleinw. haasje. Voords het onverbuigb. hazen. Zamenft.: hazenjagt, hazekop, hazetip, hazemond, hazenpad: hij kiest het hazenpad, hij gaat loopen. Wijders hazenoot, hazenpastei, hazepoot, hazenflaap, een onvaste flaap, hazenwind, windhond.

HAAST, z. n., vr., der, of van de haast; zonder meerv. Drift, fchielijkheid. Met der haast. In der haast. Ik heb groote haast. — Hij heeft er geene haast bij. Haast maken. Hoe meerder haast hoe minder fpoed. Het wordt ook als bijw. gebruikt. Ik zal haast komen, weldra, fchielijk. Bijna: hij is haast zoo ver, als gij. Achtei' zoo neemt het de eigenfehap van een voegwoord aan, en wordt aan het woord zoo gehecht, voor zoodra: zoohaast als hij komt, zal ik het u zeggen. Van hier haastelijk.

HAASTEN (zich) , wederk. werkw., gelijkvl. Ik haastte mij, heb mij gehaast. Zich fpoeden, reppen. En mij gehaast, die paden inteflaan. Psalmbeu. In de overzetting van den Bijbel wordt het ook onzijdig gebruikt: wie gelooft, die en zal niet haesten.

HAASTIG, bijv. n. en bijw., haastiger, haastigst. Die veel haast heeft: hoe zijt gij zoo haastig? Oploopend: hij is een haastig man. Onverwacht, fchielijk: de koning is eenen haastigen dood gejlorven. Van hier haastigheid, haastiglijk. Zie ig.

MAAT, z. n., m., des haats, of van den haat; zonder meerv. Eene fterke afkeerigheid van iets, welk het verftand -als kwaad befchouvvt. Een oude haat. Hij heeft

Sluiten