Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

H A.

genoeg aan uwen haat ts dragen. Hoogvl. Haat dragen. Hij is bij eiken mensch in den haat. Den haat des volks op zich laden. Van hier haat lijk, haatiijkheid (hatelijk).

Haat, hoogd. Hasz, Otfrid. haz, nederf. haat, an gelf. hete, eng. hate, deen. had, zw. hut, ijsl. hatr, goht. hatiza, middeleeuw, atia. Als men de uitblazing weglaat, heeft men het lat. odium; als men de uitblazing fterker maakt, het gr. kots?. Misleiden komt het- af van heet, wegens de hitte, den hartstogten eigen.

HACH, z. n., vr., der, of van de hach; zonder meerv. Gevaarlijke waging: de hach van iets hebben. De zaek in de hag dellen. Hooft. Van hier haehlijk, hachltjk* heid. Het verkleinw. hachje gebruikt men van iemand, die, uit losheid en balddadigheid, zich in gevaar fielt.

HACHT, z. n., m., des hachts, of van den h'acht; meerv. hachten. In eenige oorden van Nederland nog gebruikelijk, voor een dikftuk. Geef mij eenen hacht brood.

HAFT, z. n., o., des hafts, of van het haft; meerv. haften. Een gekorven diertje, dat, aan den avond van den dag, zijn huidje afftroopt. In den haft-tijd aan de zijde eener rivier wandelende. Feith. Het is er zoo dik als haft, het is er in groote meenigte.

HAFTIG, een uitgang achter fomroige bijvoeglijke naamwoorden gebruikelijk, om aanteduiden, dat iets waarlijk de eigenfchap eener zaak heeft; van haven, haben, hebben. In het hoogduitsch luidt het ook haftig. Zoodanige bijv. naamwoorden zijn: ernsthaftig, heldhaftig, krijgshaftig, manhaftig , naamhaftig, zeeghaftig. Om de voetmaat gebruiken de Dichters den uitgang.haft: om uw heldhafte daan draagt gij een lauwerkroon. Voor haftighebben eeniga bijv. naamwoorden achtig, als: deelachtig, waarachtig, woonachtig, met den nadruk op dezen uitgang. Zie achtig.

HAGEL, z. p., m., des hagels, of van den hagel; het meerv. is niet in gebruik; men bezigt dan hageljieênen. Gevrozene regendroppels, die, als ronde ftukjes ijs, uit de wolken vallen, dl het koren is door den hagel geflagen. — De hagel zal daarnaar flaan, dat zal ftraf ten gevolge hebben. . Om de gelijke gedaante, heet men, van lood gegotene, korreltjes ook hagel: van hier ganzenhagel, musfchenhagel. Van hagel is hagelachtig, en de zamengeltelde woorden: hagelbui, ovardr.: eene haP i gel-

Sluiten