Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

354

Ik, I l, Im.

heb u.wen van 23 mei wel ontvangen. Doch dit gefcbiedt zonder genoegzamen grond. Ik zelf heb het gezien.

Ik, hoogd. ich, angelf. ik, deen. jeg, zw. ;ag, ijsl. eg, Ulphil. ik, gr. syco, boeot. uoyx, tays, lai. ego, ital. io\ fr. /e, fp. y, eng. /, fiavon. /«, ga, wuid. jest, lett. es. Bij de Hebr. zelfs, ten minste als een fuffixum der werkwoorden,Men verwondere zich niet over die algemeene overeenltemming, daar de natuur 1 ns leert, door de, met ik verbondene, intrekking van den adem, ons zeiven aanteduiden. Van dit Ik heeft men het zelflt. ikheid gevormd, welk reeds bij Spiegh. voorkomt. Ik wordt ook als zelfft. gebezigd: mijn ik, mijn wezen. IKKER, z. n., m., des ikkers, of van denikker; meerv. ikkers. Men vindt dit woord bij Spiegh. , en volgends Vlaming beteekent het eigenzinnige trotschheid; zoo ook ikker ig, ikker ij', ikkerfchap. Vond. heeft 0 nimmer flapende ickers! Misfchien verftaat men er de zwarte belfche (poken door, anders nikkers genaamd. Zie dit woord.

ILIAS, z. n., vr., der of van de ilias; zonder meerv. Het is, eigenlijk, een grieksch woord, door Homeer. gevormd, en gebruikt, om er zijn uitnemend dichtwerk mede te benoemen, waarin hij den ondergang van Ilium, dat is Troje, bezingt. Vondel en andere mannen van gezag hebben dit woord ontleend, en verdaan er eene reeks door, doch bepaaldelijk, of met de uitdrukking van rampen: eene ilias van ontelbare rampzaligheden. Vond. /ifgeflooft door een ilias van rampen. Hoogvl. Zoo Antonides: de bloedige ilias der orclogen. Of met bedoeling op eene reeks van ellenden: om eene Ilias hier mede te [offeren. Vond. Ook heden ten dage wordt het, fchoon wel eens onoordeelkundig, nagevolgd.

IMBOEDEL, imboel, zie inboedel.

IMMER, bijvv. van tijd Ooit. Niets flelt u immer palen. Psalhiiier. Telkens, van dag tot dag: door deze gelegenheid werd zijne ftrafwaardige liefde immer heviger. In de dagelijkfche taal zegt men ook: immer of ooit. Immer en altoos. Bij Kil. jemer, iemer, immer; uit het oude ie, ooit. Hij zegt, dat ooit en nooit alleen op den verledenen tijd flaan; zoo zegt ook Leupenius , en voegt er bij, dat immer en nimmer alleen van den toekomenden tijd gebezigd worden; b. v.: wie heeft dat

ooit

Sluiten