Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

563 K o.

ving, angelf. cijning, cijnig, cijng, eng. hing, zw. konung, deen. kong, konge, nul. kuningas, in liet oudkoerlandsch £ök/x. Men ziet hieruit, dat de uitgang /g- uit /«g ontftaan is, waarover A. Kluit, in eene aanteekening op Hoogsiratens Naaml., anders,bedenking maakt. Het komt dan nu aan op de eerfte helft des woords, kon, kun, of kijr. Wachter cn anderen brengen den oorfprong tot kunne, een gedacht, omdat, in de eerfte tijden, de oudfte van eenig geflacht tevens deszelfs koning was. Waarfchijnelijker is de gedachte van Frisch en anderen, die het woord van kunnen afleiden, omdat toch de magt het nitftekendfte kenmerk eens konings is. Waarvan het ook herkome, men zal vele overeenkomst vinden tusfchen dit woord en hettatarifche chan, en misfchien ook het hebr. een priester, een vorst. KONKEL, z. n., vr., der, oï van de konkel; meerv. konkels. Dit woord heeft, thands, zijne oorfprongelijke beteekenis geheel verloren, en wordt niet dan oneigenlijk gebruikt. Bij Kil. is konckel eene draaikolk, konckelwronckel zamengedraaid, konckelen omdraaijen. Wijders, om de draaijing en rondheid is het, bij hem, ook een fpinrokken, even als het opperd. kunkel, Het behoort dan, zeer waarfchijnelijk, tot kink, een draai. Van hier is konkelen, eertijds, voor fpiuuen gebruikt. Gelijk nu nog, op het platte land, het jonge vrouwvolk tot fpinnen bijeenkomt, (welke bijeenkomst eene fpinning heet) zoo was zulks, van,oude tijden af, reeds het gebruik. Van daar heeft het woord konkelen, fpinnen, wegens de praatzucht van dergelijke fpinfters, eene oneigenlijke beteekenis gekregen; deels van praten, babbelen; deels van brouwen, fmeden, overleggen, in het geheim bewerken; deels van koffij drinken, onder bet vrouwvolk, op eenen fluiptijd. Van hier konkelfter. Dit is voords derede, dat konkel een lui, ledig, flordig vrouwmensch beteekent: zij is eene regte konkel; ja zelfs eene vod, eene flet: het zijn maar konkels — gij laat uwe konkels overal liggen» Zamenftell.: konkelpot, koffijketel, koffijpot.

KONNE, z-ie kunne.

KONNEN, zie kunnen.

KONST, zie kunst.

KONSTABEL, {konjïapef) z. n., m. , dts konftabels, of

van

Sluiten