Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

M a.

deel des woords, en dus hier, op heilig en regtvaardig, moet vallen. Wijders, makerij, alleen in zamenftelling gebruikelijk: azijnmakerij, keitermakerij, loodwitmakerij, mesfenmakerij, zeilmakerij, enz. Eindelijk maakfel, voor fchepfel, gewrocht: <fc mtnfchen zijn Gods maakfel, — maak/el zijner vingeren , in den godgeleerden ftijl. Bereidfel, bereiding van de llof, waaruit iets gemaakt is: Hij weet, wat maakfel wij zijn. Byb. Een zakuurwerk van engelsch maakfel. Dat papier is van een goed maakfel. De wijs , waarop iets gemaakt is: die rok is van een goed maakfel — ik zal naar hetzelfde maakfel een kleed heitellen. Gij en fult ook na haer maeckfel geene dergelijcke maken. Bybelv. Figurel.: hij is een wonderlijk maakfel, een wonderlijke vent; inde gemeenzame verkeering. Zamenftell.: maakloon, maakfelloos (jnformis) bij Vond. MAKKELIJK, bijv. n. en bijw., makkelijker, makkelijkst, in de dagelijkfche taal gebruikelijk. Hetzelfde als gemakkelijk. Zie dit woord. MAKKER, z. n., m., des makkers, of van den makker; meerv. makkers. Medgezel, maat: hij is een goede makker. Zijnen makker verklappen. Zij zijn makkers, verkeeren als goede vrienden onder elkander; in de dagelijkfche taal. Van hier makkerij, bij Hooft, in den zin van collegium , conventus — makkerfchap : makkerfchappen ingaen. Oud. Zamenftell. : fchoolmakker, fpeelmakker, enz. MAKREEL, z. n., m., des makreels, af van den makreel; meerv. makreelen. Zekere zeevisch. Kil. heeft mackereel, maeckereel. Ff. maquereau, eng. mackarel. MAL, z. n., o. , des mals, of van het mal; meerv. mallen. Bij de huis—enfcheepstimmerlieden , ook bij de fmeden, molenmakers en andere handwerkslieden gebruikelijk, voor een voorbeeld in het klein, waarnaar men iets in het groot maakt; overeenkomende met het oude maal een beeld, een teeken: een houten, een ijzeren mal. De fpanten, of het model, waarnaar een fchip gemaakt wordt: het mal van een liniefchip. Het mal van een gefchut. Het hout, dat de Timmerlieden gebruiken, omeenen winkelhaak, die verfchoven is, weder winkelregt te zetten , wordt ook mal genoemd. MAL, bijv. n. en bijw., maller (malder) malst. Niet wijs, gek: een mal mensch. Hij is een malle gek, zegt

men,

Sluiten