is toegevoegd aan uw favorieten.

Nederduitsch taalkundig woordenboek.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

M ii it§

wanorde brengen: misfchikken , al wat Godt gefchikt , heeft. Vond.

MISSCHOPPEN, bedr. w., gelijkvl. Van het fcheidb» voorz. en fchoppen : ik fchopte mis, fo£ misgefchopti In het fchoppen niet raken.

MISSELIJK, (mislijk~) bijv. n. en bijw. * misfelijker, misfelijkst. Ongedaan, leelijk ; welk eene misfelijke gc± daante is dat! Gemelijk: hij is een. mis feiljke vent. Dis vude man is altijd een misfelijk hoofd geweest. In gemelijkheid gegrond: iemand misfelijk befcheid geven. Vreemd, raar, wonderlijk: die zaak komt mij misfelijk voor. Deze twist, die nogh zoo mis f ijk duurt. Poot. Flaauw, kwalijk, öhpasfelijk: misfelijk worden. Oudtijds gebruikte men het ook voor misfchien. Van hier misfelijkheid. Van het oude bijv. n. 'mis en lijk. Zie

, Ujk.

MISSEN, bedr. en onz. w., gelijkvl. Ik miste, heb gemist. Onz., met hebben; afwezig zijn. In dezen zin komt het niet meer eigenlijk voor. In de dagelijkfche taal zegt men nog: dat kan piet misfen, dat kan niet feilen. Gisfen doet misfen. Bedrijv.; de afwezigheid vah iets gewaarworden: de Vader miste, in den drang, zijn kind. De ftaat begon hem eerst, na deszelfs dood te misfen. Ik mis mijnen hoed. Nu miste zij haren man eerst. Ontberen , niet bezitten, van eene noodwendige zaak verftoken zijn: ik kan uwe hulp niet misfen. Ik kan mijnen knecht, dezen dag, wel misfen. Gij mist uw fteun op aarde. Moonen. Een boom, die tak en wortel mist. Poot. Hoe zelden zal den mond, die fmeekt, zijn bede misfen% Hooft. Zouden 'zijn beloftenisfen verder haar vervulling misfenl J. E. Voet. Hij mist het doel in het fchieten. Het woord komt van het oude bijv. n.

, mis.

MISSIERÈrsF, bedr. w., gelijkvl. Van het onfeheidb, voorz. mis fleren', ik misflerde, heb mis fier d. Iets bij eene zaak voegen, dat tot fieraad zal ftrekken, maar dat waarlijk misftaat; of, waardoor het vorige fieraad verdonkerd wordt. Van hier misfleri;:g.

MISSLAAN, bedr. en onz. w,, oriregelm. . Van het fcheidb. voorz. mis en flaan: ik floeg mis, heb misgeflagen. Bedr., niet raken, niet treffen: den bal mis/laan; ook figurJijk, voor, de zaak niet treffen, zich vergisfen. Onz,, met hebben; eene dwaling begaan: hoe vaek en H meent