is toegevoegd aan uw favorieten.

Nederduitsch taalkundig woordenboek.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

408 O n b,

ONBEROOID , bijv. n. en bijw., onherooichr, onberooidst, meest onberooid. Niet berooid, niet verward: zoo net, zoo onberooid, zoo heereüjk begost. Max. Vermeere. Van on en berooid.

ONBEROUW, z. n.» o., des onberouws, of van liet onlerouw; zonder meerv. Het tegendeel van berouw: een eewig onherouw. Huygens. Van bier: onberouwelijk. waarover geen berouw valt; onberouwig, die geen berouw toonr. Van on en berouw.

ONBERUCHT, bijv. n. en bijw., zonder frappen van vergrooting. Van vvien het gerucht zwijgt. Van on en berucht.

ONBERÜCIITIGD, bijv. n. en bijw., zonder trappen van vergrooting. Van on en beruchtigd. Onbefchuldigd, onaangeklaagd , onbetigt: onberucbtigde waaraftige mans. Land. van Westwold.

ONBESCHAAFD, bijv. n. en bijw., onlefchaafder, onbefchaafdst. Van on en lefchaafd. Niet befchaafd, niet wellevend. Van hier: onbefchaafdelijk, onbefchaafdheid.

ONBESCHAAMD, bijv. n. en bijw., onbefchaamder, onbefchaamdst. Van on en befchaamd. Zonder fchaamte , en daarin gegrond : een onbefchaamd wijf. Eene onbefchaamde logen. Met onbefchaamden mont. Vond. Van hier : onbefchaamdelijk , onbefcbaamdheid.

ONBESCHEID, z. ri., o., des onbefcheids, of van het onbefcheid; zonder meerv. Onheusch antwoord, onvriendelijke bejegening, ftug gedrag: laet ik tioit uw onbefcheid breidden ter gehoorzaamheid. H. Schim. Geftreept door domdriest onbefcheid. M. L. Voor 't wederbar stig onbefcheid. M. L. Met zeker pijnlijk onhefcheit. Poot. Het woedend onhefcheit. N. Versteeg. Schoon *t driestig onbefcheid hen razend noemt of dronken. P. Boddaeut. Van on en befcheid. Van hier: onbefcheiden, onheiKch, onbeleefd, onbefcheidenhcid, onbefcheidenlijk. Qnbefcheiden heet ook verward: van eene zaak eene onbefcheidetie kennnis hebben. Niet ontboden: gij komt hier onbefcheiden.

OM-'ESCHIETBAAR , bijv. n, en bijw. ,onbefchietbaarder, onbefehietbaarst. Van on en befchietbaar. Door fchieten niet te treffen: onbefchietbaar wit. Vond.

ONBESCHOFT, bijv. n., en bijw., onbefchofter, onbefchoftst. Van on en befchoft, dat bij Kil. door com-

pO'