Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

47* O sr ö.

ook als een verfterkend woordje, bij den vergelijkenden trap, doch flechts als een bijw.: mijn hond isongslij'kioozer dan de uwe. Van on en gelijk. Van hier: ongelijkelijk: mijn verlies is ongelijk minder. — Ongelijkenis, bij Vond., ongelijkheid. Zamenftell.: ongelijkmatig, ongelijkvormig, ongelijvormigbeid. Bij C. Huygens vindt men een bedr. w. ongelijken: hier in zijn wijt'on* ghelijcken.

ONGELIJK , z. n., o., des ongelijks, of van het ongelijk; meerv. ongelijken. Eene handelwijs, die met de billijkheid en algemeene menfchenliefde niet overeenkomt ; eene verzachtende uitdrukking voor onregt: zoo doet gij mij groot ongelijk. POOT. Hij kan alle ongelijk vergeven. H. Schim. Hoe het Bijl en Bondelrecht isLants ongelijken juist beflecht. Poot. Dat u de tóegedreven' ongelijken in den moedt fleeken. Hooft. Het heeft ook nog eene zachtere beteekenis; te weten die van dwaling: ik heb ongelijk. Iemand in het ongelijk ftellen. Ik moet u ongelijk geven. Gij hebt geen ongelijk dat te eifchen. Van on en gelijk.

ONGELOOF, z. n., o. , des ongeloofs, of van het ongeloof ; zonder meerv. Het tegendeel van geloof. Meil gebruikt het, echter, in eenen bepaalderen zin; te weten, dan eens in de beteekenis van eene geneigdheid, om de vervulling van Gods beloften, op grond van Deszelfs getuigenis alleen, te verdenken; dan eens van eene gefteldheid, waardoor men alle goddelijke uitfpraken en verzekeringen in twijfel trekt, or eene overhelling ter onderdrukking van die goddelijke waarheden, die invloed op ons hart konden maken; eindelijk, van een moedwillig opzet, om de geopenbaarde waarheid der H. fchrift voor onwaarachtig te houden. Van on en geloof. Reeds bij Otfr . ungilouhe. Vanhier: ongeloovig, eenongeloovige, ongeloovigheid, ongeloof aar, ongeloofelij k , ongelooflijkheid. Zamenftell. :• ongeloofwaardig

ONGELU1D, z. n. o. , des ongeluids, of van het ongèluid; zonder meerv. Dat zeer hard luidt, fterker dan wangeluid: in zulk een gruwzaem ongeluit. Vond. Dat een bij lier ongeluit is. Hoogstr. Van on en geluid.

ONGELUK, z. n., o., desongeluks, of van het ongeluk; meerv. ongelukken'. Het tegendeel van geluk. Wij drukken er door uit eenen zamenloop van onverwachte

om-

Sluiten