is toegevoegd aan uw favorieten.

Nederduitsch taalkundig woordenboek.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Org, Ork, Ors, Os, f6f

orgels, orgelen; verkleinw. orgeltje. Een fpeelr.uig? uit ferlcheicjerie.pijpen zanten gefield, het welk de vercisch» te toonen, door middel van kunstwind, voortbrengt, en het meest in d* kerken gebruikt wordt; het orgel, ook op het orgel, /pelen. Insgelijks de verhevene plaats in de kerken, waar zich het orgel 'of-vindt: op het orgel gaan, Zsmcnftell.; draaiorgtj, huisorgel, kerkorgel, waterorgel enz., orgeldeur, orgelkas, orgelkod, crge'muker, Orgelpijp, orgel/peler , orgeltrapper, ook orgel'reder, die de blaasbalken neertreedt, enz. Van dit orgel is het onz. w, er gelen gemaakt, voor op het orgel fpelen: ih orgelde, heb georgeld.

Het woord komt van het gr. o-yxvov. Het onder dezen naam bekend fpeeltuig is zeer oud, en komt het eerst in Konftantinopel voor, alwaar men zich van hetzelve bij de godsdienstige muzijk bediende. Pipijn bekwam het eerfte orgel, dat in de westerfche k?rk bekend werd, als een gefchenk van keizer Konstantyn. Keizer Lodewijk ontving, in het jaar 840, den Priester Gregoor, welke beloofd had, orgels in den grickichen fmaak te vervaardigen , met veel vreugde. Intusfehen is ligt in tezien , dat de toenmalige orgels van de hedendaagfche >eer verfchilden , fchoon zij in het hoofdzakelijke met dezelve overeenkwamen, en uit verfcheidene pijpen be* Honden, welke, door middel van blaasbalken, geluid gaven. ORGELEN, zit orgel. ORGELIST, zie organist,

ORKAAN, z. n., m., des orkaanss, of van den orkaan; meerv. orkanen. Een hevige ftorm : Uw vatikaan zal eeuwiglijk beftaan , Spijt donderbui, fpijt brullenden orkaan. De Deck. Zamenftell.: krijgsorkaan. Ital. orcane, fr. ouragan. Eng. hurricane, hoogd. orkan. ORS, zie os.

OS , z. n., m., van den os; meerv. osfen. Verkleinw. osje, Een rund, zeker viervoetig dier, van het mannelijke gedacht, met gefpleten klaauwen, gebogen hoornen en een' langen ftaart, het mannetje van de koe, in eenen ruimen zin: wilde os, buffelos; osfen \n koeijen. Gemeenlijk echter wordt zulk een dier een os genoemd, wanneer het, nog jong zijnde, gefneden is, een gefneden ftier, of bul. Wordt het oud gefneden, dan draagt

het