is toegevoegd aan uw favorieten.

Nederduitsch taalkundig woordenboek.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

?7® Oud, Out, Övws

ders, of moeders moei; oudoom, vaders, of moederi oom, oudvdder, oudkerkleeraar: de fchrifien der oudva* ders — hij is al naar de oudvaders , bij is al dood , oudwijfsch, van een oud wi?f: oudwijf fche vertellingen, enz;

Hoogd. alt, Goth;, Eug., Deen. en Nederf. old, Angelf. euld. Adel. leidt het van het Lapl; elam, en het rlong. elem , elen af, het welk ik leef beteekent;

Welter is het onz. w. ouden in gebruik geweest, waar-» voor wij nu verouden, verouderen bezigen: dat gelove -Jèn oudet niet. Guld. Tr.

OUDE, (ouder), z. n., vf., der, of van de oude; zonder meerv. Ouderdom , leeftijd, door alle trappen van toeneming, als kindschheid, jongelingfchap,. huwbaarheid , enz.: men vint de tniddelbaare oude. Vond. Toi fieunfel van mijne oude. Poot. Die haer oude (mannelijke jaren) hadden. Byb. 1477. Dit woord is thands genoegzaam buiten gebruik. Sommigen beweren; dat de regte fpelling van dit woord eigenlijk oudte is; evert als men breedte, rondte enz. zegt; Doch men herinnere zich i dat de ouden ook gewoon waren, de bijvoegel.* naamwoorden tot zeifftandige te maken, door achtervoeging van eene enkele e, zonder t; en zoo zeide men' de hooge, de diepe, de kromme enz,, voor de hoogte enz., en dus ook de oude , de ronde, welk laatlte nog overig is in: derondedoen, fchoon men anders zegt/;? derondte zitten;

OUDER, zie,oude.

OUDERDOM, zie oud.

OUDERS, (ouderen), z. ri- , meerv. Vader en moeder: dat kind heeft geene ouders meer. Onze eerfée ouders, Adam en Eva» Zamenftell.: voorouders; zoo ook ouderliefdi, ouderhos, oudermin, enz. Het woord ftamt vari oud af, en wel van den vergrootenden trap ouder, zelfftand. genomen. Of het is van den zelf en oorfprong als het Hoogd; Eltern, volgens Wacht, afkomftig van het oude alen, parere. Öudt. is het enkdv. ouder in gebruik geweest: den ouder niette min. De Deck;

OUDERWETS, ouderwetseh, zie oud.

OUDHEID, zie oud.

OUDWIfFSCH, zie oud,

OUTAAR, out er, zie altaar.

OUWEL , z. n.-, m. ^des ouwels, of van den ouwel; meerV,ouwels. Verkleinw. ouweltje. Een zeer dun gebak, het welk gemeenlijk uit enkel meel, of bloem, cn water be=

ftsftrf