Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

R o. 23?

Dit woord is vün het fr. ronde, ital. ronda, overgenomen , en daarvan ftamt ronden af. ■

RONDEEL, z. n.,o., rfei rondeels, oïvan het rondeel; meerv. Een halve ronde toren , die uit eenen

* ftadsmuur uitgebouwd is, en tot tdeszelfs verdediging dienen moet: het rondeel beftrijkt den muur van weerskanten, 't Rondeel van H flot. Hooft. Dit woord ftamt van het oude fr. rondel af.

RONDEN, bedr. en onz. w., gelijkvl. /* rondde, heb gerond. Bedr., rond maken : gij moet het nog wat ronden. Onzijd. , de ronde doen : gaat de burgerwacht niet meer ronden? Van hier ronding, rond fel. Zamenftell. : aanranden, afronden, enz.

RONDOM, voorzetfel en bijw. , zamengetrokken vart rond en 001. Voorz.: er was een kring rondom dé maan. Bijw.: zij Hef en den ganfchen dag rondom, In de Bijbelv. komt ook rondomher voor: ghij lult oock eenen goudenen krans daar aan maken, rondtont

RONDTE, z. n., vr,, der, of van de rondte; meerv. rondten. Een woord van denzelfden aard , als breedte, lengte, regtte, enz. Het ronde van een ding: de rondte der wereld. In 'swerelds wijde rondde. D.Deck. Het dorp ligt in de rondte, heeft eene ronde gedaante.' Binnen de rondte der jlad, hinneli haren omtrek. Dit woord is, even als eenige vorige, van rond aikomftig J zie derhalve verder rond. £ RONKEN onz. w. , gelijkvl. Ik ronkte, heb geronkt. Zwaar flapen, en onder het flapen fnorken : is dat ronken Pogchen: en pronckt en ronckt op uw verguld gewaed. ToNKTijs. Van hier ronking, geronk. Dit woord is even zeer klank nabootfend, als het lat. ronchisfare, gr. psyxstv, poy%x*w- - _ , ^ ; ROOD , bijv? n.enjbijw. ,röoder, roodst. Dat met eene der verfchillende hoofdkleuren bedekt, of daarvan doordrongen is. Roode wijn. Roode lippen. Roode wangen. 'Rood zijn. Rood worden, eene roode kleur krijgen. de kerfen beginnen al rood te worden. Ook van de menfchen, anders eene kleur krijgen, wanneer de kleur van het aangezigt rooder wordt, hetwelk, zoo wel uit de werktuigelijke perfing van het bloed naar het hoold , als ook uit allerlei aandoeningen, ontftaat: rood worden van fchaamte. — Roode kool. Roode leliën. Roode,

Sluiten