is toegevoegd aan uw favorieten.

Nederduitsch taalkundig woordenboek.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

366

S c pt.

Hoogd. fchoosz, bij NoTK.fcosza, Strijk, fchos, nederf. fchoot. SCHOOTSVEL, zie fchoot.

SCHOOVERZEIL, z. n., o., des fchooverzeils, of yan het fchooverzeil; meerv. fchooverzeilen. Het onderfte zeil van de groote mast; volgens Ten Kate, van fchuiven, als in bundellagen wordende opgefchoven.

SCHOP, z. n., vr., der, of w« de fchop; meerv. fchoppen. Een fchoptouw, fchommel, fchongel, zie fchommel. Ten Kate brengt het tot fcheppen, om de fcheppende beweging. Zamenftell.: fchopftoel.

SCHOP, z. n., m., des fchops, of w/z fchop; meerv. fchoppen. Een floot met den voet: ik gaf den hond een1 fchop. Den fchop krijgen, afgedankt, weggejaagd worden. Iemand den fchop geven, hem afdanken, wegjagen.

SCHOP, fchap, z. n., vr., der, of van de fchop; meerv. fchoppen. Spade. Roerende de fchup. Hooft. Met heure ijzeren fchop. Vond. Zamenftell.: asfchop, koomfchop, ovenfchop, tuin fchop, vuilnisfchop, enz. Van hier fchoppen, een teeken op fpeelkaarten, als: Schoppen aas, fchoppen heer, enz. Schoppen troef. Ik fpeel in fchoppen, enz. Ten Kate brengt het tot fcheppen.

SCHOPPEN, bedr. en onz. w., gelijkvl. Ikfchopte, heb gefchopt. Schommelen, op een fchoptouw op en neer doen bewegen: wie wil mij eens fchoppen? Onzijd., op een fchoptouw flingeren: ik heb reeds een halfuur gefchopt. Van fchop. Voor dit fchoppen zegt men ook touwteren, van touw.

SCHOPPEN, bedr. w., gelijkvl. Ik [hopte, heb gefchopt. Met den voet ftooten: waarom fchopt gij mij ? Ik fchopte hem ter deur uit. Overdragt.: een" vorst van den troon [choppen, onttroonen. Van hier [chopper , [chopping. Zamenftell.: affchoppen, enz. Ten Kate en anderen brengen het tot fcheppen.

SCHOPSTOEL, z. n., m., des [chopfoels, oïvan den fchopfloel; meerv. [chopfioelen. Van fchop en foei. Een ftoel, of zitting, op een fchoptouw, of fchommel: gij moet zorgen, dat gij van den fchopftoel niet afvalt. En daar zulk een ftoel vrij wankel is, en men zeer ligt daarvan afvallen, afgegooid, afgefchopt kan worden, zoo zegt men , bij overdragt: hij zit op een* fchopftoel, kan ligt van zijn post ontzet worden.

SCHOR,