is toegevoegd aan uw favorieten.

Nederduitsch taalkundig woordenboek.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

5oo S m.

baar, fmelthuis, fmeltkroes, fmeltoven, enz. Af fmelten , infmelten, ver fmelten, enz. ,

Smelten, Kil., Vond. ook fmilten, hoogü.fchmelzen, Notk. fmllzen, nederf. fmulten, zwzzd. fmalta , pool. fmelcowac, boh. fsmelcowatf , angelf., zonder S, meitan, mijltan, eng. melt, fmelt ,%x. ^-hn, is verwant aan aan het lat. mollis, en het gr.

SMELTIG, zie fmelten.

SMEREN , bedr. w. , gelijkvl. Ik fineerde , heb gefineerd. Eene fmijdige zelfftandigheid over iets anders henen ftrijken: boter over het brood fineren. Iemand honig om den mond fineren, het welk figuurlijk beteekent, hem vleijen , ook met ijdele hoop bezielen. Gij moet de zalf daarop zoo dik niet fineren. Iets met zulk eene zelfftandigheid heilrijken: is de vagen al gefineerd? Ik ml dat flot eens laten fineren. In overeenkomst hiermede zegt men : iemand de handen fineren, dezelve door eenen fteekpenning, als het ware, leniger, vlugger , en tot het verlangde werk gereeder , maken ; in het fr. graisfer la patte. Daarentegen is , iemand de ribben /meren, hem afkloppen. De keel lustig fineren, is lustig drinken. Teren en fineren, is, dapper fmullen. Dat fmeert de borst, beteekent, dat is een zalfje voor de borst, dat ftreelt haar. Den pot fineren, is, denzelven vet maken, het noodige vet daarvoor opleveren. Die os zal wel fineren, beteekent, hij zal wel fmeer opr leveren. Eindelijk is fineren bemorfen: draag zorg, dat gij uwe kleederen daaraan niet fmeert. Vanhier gefmeer, fineer, fineer baar, fmeer der, fmeerfel, fmeerfler , fmering. Zamenftell.: fmeer fchoen , eigenlijk , een fchoenfmeerder ; overdragtelijk , een ilikflooijer, vleijer: gij zijt een regte fmeer fchoen. Dezelfde beteekenis heerscht in het daarvan afgeleide vrtrkw*fmeerfchoenen. Aanfmeren , befmeren, doorfmeren, infineren, opfmeren, over fineren, toefineren, ifttfmeren, verfmeren, enz.

Smeren, hoogd. fchmieren, zvah.jchmtrben, Notk. fmiran, Kil. fmeeren , fmeuren , angelf. fmijran, fineran, eng. fmear, vries. Jmarje, zweed. Jmorja, ijsl. fmijria, ierl. fmearam, pool. finarowac, is zijne beteekenis aan zijnen klank verfchuldigd. SMERGEL, z, n., m., des fmergels, oïvan den fmer-

ieli