is toegevoegd aan je favorieten.

Nederduitsch taalkundig woordenboek.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

S p. C05

lijk, bezigt men dit woord wegens vocht, dat derwijze ergens uitichict, als of het er uit gefpoten wierd: het bloed fpoot uit de wonde in mijn aangezigt. Van hier gefpuit, f puiter, fpuiting, enz. Zamenftell.: fpuitmiddel, fpuitvisch, enz. Befpuiten, door fpuit en, infpuiten, onder/puiten, opfpuiten, over fpuiten, tegenfpuiten, tusrchenfpuiten, weg fpuiten, enz. Vnnfpuit.

SPUITVISCH, z. ri., m., van den fpuitvisch ; meerv. fpuitvisfchen. Verkleinw. fpuitvischje. Van fpuit en visch. Een dier van het gedacht der zeekatten, anders inktvisch genoemd, omdat hei zeker zvvart vocht van zich fpiut: de fpuitvisch; in 1661 bij Katwijk gevangen, werd als een fchrikkelijk zeegedrocht befchouwd.

SPUITWOPvM, z. n., m., desfpuitworms, oïvanden fpuitworm ; meerv. fpuitwormen. Verkleinw. fpuitwormpje. Van fpuit en worm. Zeker flag van wormen , welker lijf de geftalte van eene fpuit heeft: er zijn twee foorten van fpuitwormen, eene naakte , en eene bekleede.

SPUL, zie fpel.

SPULKSCH, bijv. n., fpulkfcher, fpulkschst. Bij Kil. fpulcks. Oulings. evenveel als fpeulsch of fpeelsch : fpulcks, ritfch, oft hittich, zijn. v. Hass. Maar't jpulkfche beest wou't hekke niet Vtrfchoonen. Six v. Ch.

SPURGIE , zie fpringkruid.

SPURRIE, Kil. fpurie , fporie, fpeurie , z. n., vr., der, oïvan de fpurrie; zonder meerv. Een plantengeflacht, dat vijf foorten bevat: knoopige fpurrie, lorkachtige fpurrie. Zamenftell. : fpurrieboter , Kil. fporieboter, die in den herfst valt, wanneer de beesten veel fpurrie plegen te eten.

SPUWEN, bedr. en onz. w., gelijkvl. Ik fpuwde, heb gefpuwd. Hetzelfde a.ls fpugen, allerlei dingen uit den mond opgeven, en met eenig geweld uitwerpen: bloed fpuwen. Barcochab begoochelde de Joden door vuur te fpuwen. Zonder bijvoeging van het voorwerp, of onzijdiglijk, beteekent dit woord bijzonderlijk fpeekfél uitwerpen : het geftadige fpuwen zal u geweldig verzwakken. Figuurlijk bezigt men dit woord ook wel eens wegens levenlooze dingen, waaraan men eenen mond toefchrijft: de Vefuvius begon op nieuw vuur te fpuwen. Van h\tr fpuwing, enz. Zamenftell.: fpuwpotje, enz. Aanfpuwen, befpuwen, infpuwen, opfpuwen, overfpu-

wen,