is toegevoegd aan uw favorieten.

Nederduitsch taalkundig woordenboek.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

S T. ?I7

STOMMELING, zkfiom.

STOMP, bijv. n. en bijw., ftomper ,ftempst. Vanfcherpte ontbloot,' of beroofd : dat is geen fcherpe hoek, maar een ftompe. Dit mes is al te Jtomp van fnede en punt. Een ij der menfche, die de onrijpe druijven eet, fijne tanden fulten ftomp worden. Bijbelv. Overdragtelijk , traag van begrip : het is een ftomp mensch. Gij zult 71 zeiven ftomp jtuJeren. Van hier het z. n. ftomp , en ftompen , jtompheid, fiompelijk , enz. Zamenftell. : Jlomphoekig, jtompneus, jtompvoet, enz.

Stompe hoogd. fiumpf, nederf. en zweed, fitump. STOMP, z. n., vr., der, of van de ftomp; meervjtompen. Verkleinw. fitompje. Een kort, en, naar evenredigheid van deszelfs lengte, dik, overblijffel van een geheel, waarvan een deel afgefneden , of anderzins weggeraakt, is, zoo als het worteleinde van eenen boven den grond afgehouwenen boom: men geeft nog heden , even als ten tijde van Kiliaan, in Friesland den naam van jtobbe, en in Neder fakfen , en Zweden, dien van ftubbe, in Engeland dien van jtub, aan de ftomp van eenen boom. De ftompen der wilgen dragen in Holland den naam van wilgen fioven. Het overblijffel van een afgezet been, of eenen afgezetten arm: ja hij fchudde ncgh de ftomp. PIooft. Het overblijffel van eene roeerendeèls verbrande kaars: dat jtompje kan niet lang meer branden. STOMP, z. n., m., ftoot. -Zieftompen, ftooten. STOMPEN, bedr. w., gelijkvl. Ik jtompte, heb gefiompt. - Stomp maken , van fcherpte, of punt berooven: gij hebt uwe naald op dat harde linnen geftompt. Zamenftell.: af ftompen, en ver ftompen. STOMPEN, bedr. w., gelijkvl. Ik Jtompte, heb gejtompt. In de gemeene volkstaal ruwelijk ftooten: waarom fiompt gij mij zoo-op den rug? Van hier ftomp, z. n., m., een ftoot. STOMPNEUS, z. n., m., van den Jtompneus; meerv. Jtompneuzen. Van ftomp en neus. Een ftompe neus, of een mensch, die zulken neus heeft, en zeker flag van krabben, dat in Oostindie gevonden wordt, en eene hoogroode kleur heeft, die met geel gemengd is. STOND, z. n., m., des fionds , of van den ftond 1 meerv. ftonden. Een bijzonder gedeelte van eene ruimte van tijd, of plaats, een plekje gronds, ofcentiid-

ftip.