Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

T a. 23

en bij v. Hass. : in allen tamelijcken zaken te obedieren en : als hen goet dunct oorboorlic ende tamelic te zijn. Oulings werd het voor gefchikt, bekwaam, gebezigd: enen gerekenman ende tamelic om te jtriden. Bitb! 1477. Van hier bij Kil. taemelickheijd, betamelijkheid. . ... a ^ c Tamelijk, hoogd. zümlich, eng. fectnhj , ftamt at

van tarnen. , , , j 1

TAMEN, Kil. taemen, oulings, en hedendaags ook

nog wel eens bij den eenen of anderen dichter, evenveel als

betamen. Zie betamen. TAMMEN, zie temmen.

TANAIS, z. n. , m., van den tanais; zonder meerv. Dus noemden de ouden eene rivier, die doorgaans voor de fcheidlinie tusfc\en Europa en Azie gehouden werd, en thans den naam van Don voert: uit den vergelegen Tanais. Vond.

TAND, z. b., m., destands, of van den tand; meerv. tanden. Verkleinw. tandje. Een der kleine beentjes, die, aan het kakebeen van den mensen en vele dieren vastgehecht, dienen, om te bijten , of te kaauwen : het kind krijgt tanden. Hare tanden beginnen te wisfelen. Verbreek dier jonge leeuwen tanden. L. D. S. V. hn tanden in den muil van Moet beklat. Vond. Overdragtclijk, de uitftekende punten van menig ding, zoo ais die van een anker, of ploegijzer : de lantman met den /lompen tandt van het kouter. Vond. De punten deiraderen van eenen molen of een uurwerk : er zijn twee tanden van dat rad afgemalen. De punten van eene vork • Neptuins drietand heet dus naar zijne drie tanden. De punten van eenen kam, of eene zaag: aan die zaas moeten er eenige tanden opgevijld worden. De puntjes van fmalle kantjes, waarnaar die kantjes in het fr. den naam van dentelles voeren, enz. Spreekw.: liggen de handen, zoo liggen de tanden, als er niet gewerkt worden kan, is er niets te eten. He'-gaat van de hand in den tand, het wordt zoo haast verteerd , als het ontvangenis. Met hand entand vasthouden, 'zoo fterk vasthouden, als mogelijk is. Tot aan de tanden verfchanst liggen, door verfchanfingen, die nagenoeg eene mans hoogte bereiken, gedekt liggen. De tanden la'en zien, of blinken, bij Kil. bliktanden, tandblicken, toonen, dat men zijne partij des nootls B 4 met

Sluiten