is toegevoegd aan uw favorieten.

Nederduitsch taalkundig woordenboek.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

T E. Jf

uitgang, tenteren , van het lat. en ital. tentare, on-« derzoeken, eene wonde peilen, fonderen: ickfalgheen bij tjdlf noch gheen pijn/ick tenten vree/en. Zeeuwsch. Nachteg. Van hier het zamengeft. tentijzer, fon» deerijzer, ital. tenta.

TEOR.BE, z. n., vi'., der, of van de tee-rbe; meerv. teo'ben. Zeker fpeeltuig, in het fr. ook teorbe, ital. teorba genoemd : zoo fleurt de Florentijn op vorstlijke toonneelen met morrende teorV 't gefpreci. D. Deck.

TEPEL , z. n. , m. , des tepels , of van den tepel; meerv. tepels. Verkleinw. tepeltje. Het uitpuilend middelpunt van eene borst: het kind kan den tepel niet vatten. Beneen den tepel, die uitpuilt op de borst. Vond. Zamenftell.: tepel/'pleet, tepelzalf', tepelzweer. Maar tepelwerken, zoo als Roemer Visscher een deel van zijne Rijmelarij noemde, zijn evenveel als tie) elwerken in het vriesch, van tiepelen, knutfelen, van waar voorts getiepel, geknutfel. Tepel is eigenlijk; zoo veel als de tip , of top der borst, van het oude tippel.

TEPELWERKEN, zie tepel.

TEPPEN , bedr. w., gelijkvl. Ik tepte , heb getept. In Vriesland, doorliet uitkammen van verward haar kwellen : o, wat lept gij mij in mijn haar ! Dit woord is , volgens Kil. , gelijk aan teezen.

TER is zamengefLld uit te der ; als in ter regter tijd, terftond, enz. Hieruit blijkt, dat tijd, Jtond, enz. oulings evenzeer vrouwelijk moeten zijn geweest, als uur, nood, dood, wapen, hart, enz.; blijkens ter goeder uur, ter naauwer nood, ter dood, ter wapen, ter harte, enz. De fpreekwijs ter goeder uur heeft de oude gedaante van verbuiging, zelfs in de allergemeenzaamfte fpreektaal blijven benouden, en kan zoo wel in den hoogdravenden en deftigen , als in den gemeenzamen ftijl gebruikt worden.

TERD, oulings evenveel als tred, gelijk als men terden voor treden bezigde, door eene omzetting van de R; waarover zie R.

TEREN, bedr. w. , gelijkvl. Ik teerde, heb geteerd. Met teer beftrijken: het vaartuig fchijnt finds lang niet geteerd. Zamenftell.: beteren , ongeteerd. Van teer.

TEREN, bedr. en onz. w., gelijkvl. Ik teerde, heb, ofben, geteerd. Eigenlijk, eten. In dezen zin komt

y tei-