Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

• 6 Van.

De oorfprong van vele vannen is vrij zonderling en kluchtig.

Fan luidt in het hoogd. von, Willer. w»e,IsiD. Kero. fona, deen. fra, zweed, fra en fram, eng. from, en is verwant aan af, dat deszelfs plaats in eene reeks van zamenftellingen bekleedt, en zijne beteekenis eveneens aan zulk een geblaas te danken heeft, als waarmede men eene veer van den mond, en meer andere dingen van zich, verwijdert. VANDELEN, zie vanden.

VANDEN, onz. w., gelijkvl. Ik vandde, heb gevand. Bij Kil. eenen kranken bezoeken, maar eigenlijk, en hier en daar nog hedendaags, op kraambezoek gaan: ende daarom gefpaa ~t voor de lekkere tongen der vanj dende v ouwen. Hooft. Die fpijst, laeft, ende dekt, I herbergt, befockt en vand. H. de Gr. Van hier vandelen, dat te Bremen hetzelfde beteekent. Zamenftell.: vandbeker, of vanbeker, vandtiid, of vantijd. Het ftamwoord fchijnt van , fan, fano, een doek, een windfel, een zwachtel, verwant aan vaan; zit vaan; van waar tanen, fanden , inwinden , en het vries vandelen , opwinden, zoo als men eenen zwachtel doet, waaruit de zamenftelling opvandel.n, bijeen halen, gefprocen fchijnt. Vanhier vanding, bezoek, kraambezoek : vanding van vrinden genieten. Hooft. VANDING, zie vanden.

VANG, z. n. , m., desvangs, of van den vang; meerv. vangen. De daad van vangen, in welken zin het niet flechts, even als het hoogd. fang, bij Kil. voorkomt, maar ook in: over den vanck der visfehen, die lij geva gen hadden. Bijbelv.; en in de zamenftell. hartvang, windvang, enz. Een werktuig, om te vangen, bij Kil. eene val, hedendaags het werktuig, om eenen windmolen in zijnen gang te (linten, of hem te vangen: de vang is gebroken. De molen is door den vang, beteekent, eigenlijk, hij luistert daarnaar niet, figuurlijk, alle beduur is weg, hij, of het ding, waarvan men het zegt, is bandeloos. Het gene men vangt: de vanck des tij rans fal ontkomen. Bijbelv. ; waar het dezelfde beteekenis ook in jachivanck oefent: een bedrieger en ia! fijn jachtvank niet braden. Voorts is vang, zeker deel van het lijf van een rund, waarbij men het-

zel-

Sluiten