is toegevoegd aan uw favorieten.

Nederduitsch taalkundig woordenboek.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

446

gevormd. Aanzienlijk, uitmuntend: voorname perfonen , — een voornaam geleerde, kunlienaar. koopman, enz. Van de voorneemfle vrouwen niet Weijnige. Bijbelv. Van hier voornamelijk. Kil., veurnemlick, hoogd. Vomehmlich. VOORNAAMWOORD, z n.,o., des vmndattiwoords , of van het voornaamwoord; meerv. voornaamwoorden. Van voor en naamwoord. Dat deel der rede , 't welk de plaats van een zelfitandig naamwoord vervangt: per* foonlijk voornaamwoord, enz. Zie inleiding, bl. III. en volg.

VOORNACHT, z. n., m., des voornachts, oïvan den voornacht; meerv. voornachten. Van voor en nacht. Het voorfte van den nacht: den voornacht aan brasferii en dronkenfehap wijden.

VOORNEMEN, bedr. w., ongelijkvl. Ik nam voor, heb voorgenomen. Van vor en nemen. Voorhebben,

; befluiten: als gij iets goeds voorneemt, behoort gij het te volvoeren. Hoe lange fal ick raetflagen voornemen in mijne ziele? Bijbf.lv. Het voornemen, als z. ri., is de daad. van voornemen, befluit, Opzet: een Chris-1 telijk voornemen. Ik ben van voornemen, of voornemens, is evenveel,als ,ik heb voorgenomen, befloten. Voorts komt van veurnemen bij Kil., ook nog vumeminghe.

VOORNOEMD, bijv. n., zonder trappen van vergroo* ting. Eigenlijk, een deelw. van het ongebruikelijke voornoemen. Vooraf met name vermeld : de voornoemde redenen. Al het voornoemde.

VOORNOEN, bijw. Van voor en noen. Des voormiddags : voornoen is hij hier nog geweekt. Soms ook een z. n.: de voornoen , voormiddag; zie noen.

VOORONDER, z. n. , o., des vooronders, oïvan het vooronder; meerv. vooronders. Van voor en onder. De voorfte benedenruimte in een fchip: Veuronder des fchios Kil. Wij zaten in het vooronder.

VOORONDERSTELLEN, bedr. w., gelijkvl. Ik . voor nderjlelde, heb voorondersteld. Van voor en onderfeilen. Vooraf onderftellen : vooronder lel eens, dat hij wegbleef. Van hier vooronder gelling , de daad van vooronderftellën , en het gene men vooronderftelt.

VOORONDERSTELLING. Zie vooronderftellën.

VOOROORDEEL, z. n., o., des vooroordeels, of van het vooroerdeel; meerv. vooroordeelen. Van voor

en