is toegevoegd aan uw favorieten.

Nederduitsch taalkundig woordenboek.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

4^6 Z w &

de , of klamme zweet brak hem uit. Ik dreef in mijfi zweet, ik zweette ongemeen fterk. In het zweet uws aanfchijns zult'gij. brood eten. . Een zweet drijvend middel. Zich in het zweet hopen. Hij mag zijn z ■ eet niet

" ruiken; hij heeft geen' lust tot arbeiden, is lui. Figuurlijk, is zweet ook vermoeijende arbeid: dat heeft zweet gekost. Baar zal een tweetje opzitten, jn het gemeene leven , dat zal wat arbeid vorderen. Ik heb er een zweetje van gehaald, ik heb er zwaar aan gearbeid. Ook 'zegt men : het luije zweet zal hem uitbre-

. ken, voori-hoe ongaarn hij wil , zal hij toch moeten arbeiden. Wijders plegen de Jagers het bloed der dieren zweet te'noemen. Van hierxwecterig. Zamenftell.; doodzweet, nachizweet, enz. — zweetdoek, zweetgat, enz.

Zweet, hoogd. fchweisz, nederf. [weet, angelf. fwat, p aet, eng. fweat, zweed, fveit, ijsl. fueit, pool. fvad, wall. chwijs, lat. fudor, fr. fueur, gr«

-' i^wf. Men heeft voor lang reeds aangemerkt, dat het begrip van vochtigheid in dit woord het heerfchende is , en dat het, door middel van de voorgevoegde z, tot water, hoogd. wasfer, nederf. water, angelf. waeta, ■ zweed, vatska , behoort ; even als het gr. ïfyus , zweet, met vScog, water, vermaagfchapt is.

ZWEETBAD , z. n , o., des zweetbads, of van het zweetbad; meerv. zweetbaden. Van zweet, zweten, en bad. Een bad, eene kamer , of befloten plaats, waarin een zieke, door uitwendige warmte, tot fterk zweeten gebragt wordt.

ZWEETBANK, zie zweeten.

ZWEETDOEK, z. n. , m. , des zweetdoeks, of van den zweetdoek; meerv. zweetdoeken. Van zweet endeek. Een doek, gefchikt om het zweet af te droogen : ende fijn aengeficht was omwonden met eenen jweetdoek. Bijbelv.

Zweetdoek, Kil. fweetdoeck, hoogd. fchweisztuchs bii Ottfrid. fueczduch, Tat. fueizlachan. ZWEETDRANK, z. n, , m., des zweetdranks, of van den zweetdrank; meerv. zweetdranken. Verkleinw. zweetdrankje. Van zweet, zweeten, en drank. Een drank, om te doen zweeten: ik heb eenen zweetdrank ingenomen.

ZWEETEN, bedr, en onz. w., gelijkvl. Ik zweette,

heb