Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

XXXI. Boek. Geschiedenissen. 27

om de voldoening van 't geen zyne Majesteit beweerde uitftaan te hebben, zo by de Republiek, als onder byzondere perfoonën, hadden de Geldfchieters, aan Hun Hoog Mogenden,verzogt, om, door derzelver tusfchenfpraak, de deugdelykheid hunner eifchen te doen gelden, en voorts, by wyze van afrekeninge , hunne opgefchootene penningen in te vorderen. Aan dit verzoek hadden 's Lands Staaten eenigzins voldaan , door op den flaat hunner üitftaande agterftallen by den Keizer mede te brengen , de boven genoemde hoofdfommen, en hunnen Gezant aan het Weener Hof te gelasten, ten bekwaamen tyde daar van gewag te maaken. Van deezen last, egter , hadt de Staatfche Gezant, Graaf van degenfeld, zig nooit gekweeten. Thans het vertrek der twee bovengemelde Afgevaardigden vernomen hebbende, herhaalden de Schuldvorderaars hun verzoek, ten einde de deugdelykheid van hunnen eisch aangetoond, en op dc voldoening van dien ernftig mogt worden aangedrongen. [ j,

Op den achttienden July kwamen ue uezanten te Weenen. Vier dagen daar na hadden ze gehoor by den Ryks-Kanzelier, Prins van kaunitz, leverden hunne Geloofsbrieven over , en verzogten om tydsbepaaling , wanneer het zyner Keizerlyke Majesteit zoude behaagen , hen ten Hove te ontvangen. Op den vierëntwintigften hadden ze gehoor by den Vorst. De Graaf van Wasfenaar voerde het woord.

Het

785.

je uesantentoornen te Weenen.

Sluiten