is toegevoegd aan uw favorieten.

Verhandelingen van het provinciaal Utrechtsch genootschap van kunsten en wetenschappen.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

43ö J. T. VAN DE WYNPERSSE,

nen. 2. Zoo ik mijne tegenpartij al eens toefta , dat de Kinkhoest uit eene belette uïtwaasfeming , of gulzigheid , of zoo 't hun gelieft, uit de zaamenvoeging van'deze beide voordkomt: laten ze mij dan, bid ik, eens uitleggen , wat de reeden zij, dat men dezelve niet dagelijks waarneemt, daar egter zeer veelen aan die oorzaaken geduurig blootgefteld zijn, en ook daar door Ziekten krijgen ; ja zelfs, dat deze hoest zig zelden voegt bij algemeen befmettelijk heerfchende Zinking-aartige Ziektens. Ook kan men met geene waarfehijnlijkheid eenig bewijs, tegen den overërfelijken aart dezer Ziekte neemen uit het Kpïdemisch heerfchen derzelver, vooral bij zeckere gefteldheden van den dampkring, daar het zelfde ook omtrent anderen waarlijk befmettelijke Ziektens plaats heeft; ten zij misfchien iemand daar uit verkoor te beQuiten, dat zig bij dezen hoest een zinking-aartige gefteldheid voegen, en haar heviger maaken kan. Het zelfde moet men zeggen aangaande het bewijs van Stoll en Plencis bijgebragt, uit den verfchillenden aart en geneeswijze van dezen hoest, naarmaate der onderfcheidene gefteldheid van eene andere Epidemisch heerfchende Ziekte; het gene niet meer kragt heeft: want Zij, die de befmetting voorftaan ,

zul-