Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

UROEDK SCHAPPEN.

26 GODSDIENSTIGE

i-„ onze hedendaagfche Schrijvers houder* „ het voor tocgcftaan , dat de verandc„ ring ten tijde der antoninussen is ' „ voorgevallen. Doch, aangezien des„ wegen geene wet gemaakt is, en, in „ eene eeuw, zo overvloedig van Schrij„ vers voorzien , geen enkel woord ge„ fproken wordt van eenige bevelen, ter „ vervaardiginge van begraafplaatzen af„ gekondigd, is het gevoelen van ves„ se rus van waarfchijnlijkheid niet ont» bloot, dat de gewoonte, om de lijken te « verbranden, allengskens is uitgefleeten. „ En , vermids het zeker is dat de ge„ woonte, om de dooden te begraaven, „ ten eenigen tijde onder de Romeinen in „ gebruik was, is het eigenaartig te den„ ken dat de flaaven en andere geringe „ lieden nog fteeds begraaven wierden , „ als zijnde eene minder kostbaare en een„ voudiger wijze, om over de doode lichaa„ men te befchikken , dan het verbran„ den, hetwelk tevens ftaatelijk en kost„ baar was. En, indien 'er reeds begraaf„ plaatzen voorhanden en gereed waren, „ kan men zich gemaklijk verbeelden, hoe „ de gewoonte van begraaven algemeen „ is geworden, zonder dat deswegen eene „ wet gegeeven wierdt.

„ Een geruimen tijd vond ik mij onbe» kwaam om den grond te ontdekken, op „ welken de hedendaagfche Oordeelkun„ digenhet voor toegeftaan gehouden heb„ ben, dat de gewoonte om de lijken te „ begraaven, onder de antoninussen

Sluiten