Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ti MAART 1797.

353

ft questranten voor als nog zoude behoren te worden „ geweezen van de hand. Wy zullen de vryheid ne„ men over yder der gemelde zwarigheden onze ge„ dagten aan Ulieden te fuppediteeren, en vervolgens, „ ingevolge van uwen last ook ons advis over°deze „ zaak uitbrengen.

„ Wat dan de eerfte zwarigheid betreft, zoo is het „ aan ons voorgekomen, dat, welk gewigt ook aan de Nauernafche-Sluis, en de uitwatering van die „ zyde van Noordholland in de daad moge gelegen », zyn; en hoe zeer wy voor ons gelooven, dat de „ gedelabrjerde ftaat van dezelve Sluis, de attentie „ van dit Beftuur allezins mcntecrd, de flegte toe„ ftand van gemelde Sluis, cn het gevaar het welk ■„ daarin voor'die zyde van Noordholland gelegen is, „ door het toefiaan der verzogtc Verveening niet zoude verergerd, maar dat in tegendeel, door de nieu„ we en betere Bedyking van die Landen , het gevaar „ ten minften voor de Zuiderpolder, aan die zyde „ van de Nauernafche Vaart, aanmerklyk zoude verft mindert worden; en dat het 'er derhalven met be„ trekking tot deze Sluis weinig toedoet, of de Ver„ veening word toegedaan, dan of dezelve word gedeclineerd. Hebbende dezelve geene de minite di„ ricle relatie tot de Landen, waar van de Vervee„ ning is verzogt geworden.

„ Ten aanzien van de tweede renexie, kunnen wy „ niet voorby ronduit te verklaren , dat de beide „ Declinatoire advifen van de voormalige Gecom„ mitteerde Raden, en fpeciaal het laatfte van dezel„ ve in dato 22. December 1784, wanneer wy het„ zelve vergelyken, met de uitgebragte rapporten van „ de Landmeeters Fis en Goudriaan, op welke dat „ laatstgemelde hoofdzaaklyk is gegrond, te zeer op„ pervlakkig aan ons zyn voorgekomen, dan dat daarCc „ uit

Sluiten