Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C 31 }

tuurlyke geaarthetd worden; en daar alle buizen des lichaams " mc[ 'elkander vereniging hebben , het welk dus ook plaats " heeft onder de vogten, kunnen wy ons ook m^t zekerheid £ voordellen, dat, wanneer 't zaadvogt van zyn uatuurlyken „ ftaat afgeweken en in een hogen trap ontaard is geworden, „ alle andere vogten befmctten en het gehele lichaams geftel in ,', wanorder orcngen kan, en dus veroorzaken zeer gevaarlyke „ gevolgen, ja zelf niet anwaarfchynlyk, de hondsdolligheid of „ watervrees, wanneer het bloed op ene verre gaande wyze met „ dit gift befmet is geworden."

Ene fcherpe rotachtige ontaarting van het mannelyk zaadvogt in deszelfs bewaarplaats, en de vermenging van dit bedorven vogt met de overige vogten des dierlyken lichaams, is derhalven naar des Schryvers mening de eerfte algemene of oorfpronglyke oorzaak der honds - dolheid. Hy brengt ter ftaving hiervan ene en andere redenen en waarneming by , welke echter , volgens zyne eigene bekentenis, geenszins afdoende zyn ; zodat hy, ook op den titel, erkent, dat zyn gevoelen nader door proefnemingen zoude moeten bevestigd worden. De 011waarfchynlykheid intusfehen, ja de onwaarheid, van dit vermoeden , moet een ieder die met dc ontleedkunde van den Hond enigzins bekend is, van zelf in 't oog vallen. Immers hebben de honden volftrekt gene bewaarplaats voor het zaadvogt in hun lichaam; zy hebben gene veftcu/te feminales; en juist dit is de reden van den zo lang durenden coitus dezer dieren, op dat 'er naamlyk gedurende dien tyd ene tot de bevrugting genoegzame hoeveelheid zaadvogt in de testes zoude kunnen afgefcheiden worden. Daar derhalven de honden gene bewaarplaats voor het zaadvogt hebben, en dit vogt buiten den tyd van coitus in ene zeer geringe hoeveelheid (die gene bewaarplaats nodig heeft, maar aanftonds, gelyk in vele andere dieren , uit de testes door de opflurpende watervaatjes weder wordt teruggevoerd) afgefcheiden wordt, zo fpreekt het van zelf, dat hier volftrekt generleye ontaarting veel min verrotting van dit vogt kan plaats hebben.

Het Nafchrift is nog het meest belangryke deel van dit werkje, Hoewel het niet behelst dan ene herhaling, van het geen des Sch.yvers Vader voorheen in het VII Deel der Verhandelingen van het Genootfchap onder den zinfpr. fervandis eivibut, en de Schryver zelf voor een paar jaren in de N. Vaderlandfche Letteroeffcningen , hebben medegedeeld , naamlyk de bereiding en het gebruik van een beproefd middel tegen de gedugte gevolgen der dollchonds • beet, waarvan de Schryver getuigt , enige malen de gelukkigfte gevolgen gezien te hebüen , zo in menfehen als dieren, en het geen ook, wegens deszelfs ■eenvoudigheid, fpoedige en onkostbare bereiding, alleszins den aandagt der Geneeskundigen verdient. Wy nemen derhalven hier, ten dienfte van hun, die dit middel nog niet uit de evengemelde fchriften mogten kennen, de befehryving daarvan kortelyk over :

„ Neemt drie doiren van hoendereyeren, en drie halve eyer„ fehalen vol olyven - olie ; doet het te famen in een koekepan „ op een matig vuur; roert het geftaoig met een mes wel on „ der een , en laat het te famen zo lang braden , dat het door „ geftadig roeren ene egale masfa word als een Conferf. Het „ vervult als dan een grote kofty - kop."

m Die gebeten is, moet, binnen de negen dagen na den

1 n beet,- deze dofis of gifte twe agtereenvolgende dagen inne„ men, zich tevens onthouden van alle fpys en drank (hoege„ naamd) zes uren voor 1 et innemen des middels, als mede [ w zes uren na dat hetzelve ingenomen is, en onderwyl wordt I „ de wonde negen dagen lang twemaal daags met een pennetje „ van vurenhout opengekrabt, en telkens verbonden met een „ weinig van dit middel daartoe bereid." ■

„ Een dier, van wat foort ook, dat gebeten is, neemt tw? „ agtereenvolgende dagen, telkens een dubbelde dofis, vastende „ mede voor en na het innemen des middels zes uren."

Daar de olie ook in andere vergiftige wonden, en byzonder in de adderbeet, een heilzaam cn beproefd middel is, moet het goed gevolg van dit zelfde middel in de Dollehondsbeet ons des te minder verwonderen. Intusfehen zyn gewone fcarificatien zekerlyk te verkiezen boven het opkrabben der wond door middel van een houten pennetje.

HISTORISCHE en LETTERKUNDIGE ANECDOTEN.

Iets over de Fransche Atheistery. (Getrokken uit een Engelsen Stukje getyteld Lettres from Parts- (t) )

Sints den tyd van Lucilio Vanini tot op dien van David Hume, fchynen de Atheïsten van alle landen naar Parjs de toevlugt genomen te hebben. De laatste dong naar den eernaam van vrydenker, zelf met uitfluiting van ene eerfte oorzaak; fchoon hy echter zeer gevoelig was en zich gebelgd toonde, toen Madame Mallet, met hem aan den tafel by den Abt Noailles zittende, hem mede inlloot in haar aanfpraak aan het gezelfchap : ., nous autres j4thêes." De belyders van het Atheismus fchynen, als 'tware, bang voor den naam te wezen, immers willen 'er buiten's huis en in 't openbaar niet van horen, hoe zeer zy ook, op hun kamer, hun best doen, om dien te verwerven.

Al wie, onder de Regering van Lodewyk XIV, enige gunst aan het Hof wilde bekomen, kon hierin gemakkelyker Hagen, wanneer hy een bekende Atheist, dan een gematigde of koele Janfenist was. Toen dc Hertog van Orleans op zyn vertrek ftond , om het bevel overs de Legers van P/ulip V. Koning van Spanje op zig te nemen, vroeg hem Lodewyk XiV. wie 'er met hem meê zou gaan ? De Hertog' noemde Fonterp'tis , ,, wat, fprak de Kotiing," „mui Neef.de zoon van die dolle Geestdryfïter van eeq ,, wyf, die overal den lof van Dofitor ^drnaud, den Jansenist, zo luid uitgetrompet heeft? neen, — neen, ik „verkieze niet dat hy met u zal gaan." — „ Sire," hernam de Prins, „ Ik ben geheel onkundig, wat zyn Moeder gedaan heelt; maar wat betreft, dat de zaon eenjan-

„ fe-

(t) Zie over dit ftukje onze laatstvorige No 263.

Sluiten