Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C 30)

vooroordeelen en dwaalingen, bedorven en verduifterd wordt.

Dan, ik wil u gaarn volgen in het beloop uwer redeneeringen, en eerst onderzoeken, of deeze ftelling, het menfchelyk verftand is niet bedorven, behoorlyk van u bewezen zy.

Menzouverwagt hebben, dat UWEd., voor die ftelling, bewyzen had aangevoerd — uit de ondervinding ; doch deeze tref ik niet aan: of

uit de H. Schrift; doch het weinige dat ik hier van vinde Cf) doet, myns oordeels, niets ter zaake.

't Gene gy ondernomen hebt te betoogen , is in deeze twee ftellingen begrepen.

I. De leer van de verdorvenheid des menfchelyken verftands is ongerymd. II. De bewyzen K die voor dezelve worden bygebragt zyn onvoldoende.

I. Om uwe eerfte ftelling te ftaaven redeneert gy op deeze wyze:

«. A., Zy die beweeren, dat het menfchelyk verftand bedorven is, moeften de maat van dat bederf aanwyzen; maar ze doen dit niet; of, bepaalen zy

het tot godlyke zaaken, dan moet volgen,

dat het Euangelie van geen nut is, geen kragt

Gods tot zaligheid: dat alle moeite ver-

geefsch

Cf) Brief bl. 88-39.

Sluiten