Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Van de Eeuwigheid der helfche firaffen. 227

Vervolg van deeze fitf.

Den Wijsgeer moet het waarfchijnlijk voorkomen, dat zij, welken in de toekomende weereld geftraft worden, van nieuws zonden zullen pleegen : ten minften ziet hij geene de minfte reden, om dit te ontkennen. Zij gingen met een godloos gemoed, en eene. lang verkreegene hebbelijkheid in de zonde naar diè plaats der ftraffe, na dat zij door alle middelen, die d: Wijsbegeerte en de Godsdienst aan de hand geeven, in deeze weereld niet verbeterd waren: kan men ankers denken, dan dat zij daar van nieuws zidlen zondigen, wanneer zij 'er gelegenheid toe hebben? En hoe zoude het daaraan kunnen ontbreeken? Zijn zij niet gantsch buiten daat om te werken, zoo zullen zij zich onder eikanderen kunnen beleedigen, en wilde men hun ook al dit vermogen wegneetnen, zoo zouden 'er evenwel wraakzuchtige, of wangunftige begeertens overblijven , en zonden met wenfchen en in gedachten gepleegd zijn ook voor den Alvveerenden zonden : Maar ik zie nogtans geene de minde renen , waarom men bij deeze ongelukkigen al het vermogen, van te werken moeste ontkennen , dewijl zij naauwlijks in ftaat zouden zijn om zich zonder hetzelve te onderhouden, in gevalle wij het niet Gode als plicht opleggen, om wederom die gèftadi'gè wonderwerken ter hunner onderhouding te doen , die voor den Wijsgeer ongelooflijk zijn. Laaten fommige zonden van dit leven daar niet meer, zelfs niet eens in gedachten,, mogelijk zijn, bij voorbeeld, de zonden van ontucht, (hoewel, wie kan dit laatfte met zekerheid ontken' nen ? dewijl de verbeelding yan zekere vermaaken in haare volle kracht kan blijven , na dat het vermogen P 2 va»

Sluiten