Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

5°4 2J Offerhanden.

eene opwekking tot zonde mogen noemen. Men zoude eene menschlijke Overheid, welke aan iemand, die tot de ftraffe van gevangenis veroordeeld was, de vrijheid wilde geeven,om in zijne plaats,zijnen grooten hond, of, wanneer hem die nog te lief ware, eene kat, eenen vogel, of wat het zij, te koopen, ofte vangen, en aan den oppasferder gevangenis te geeven, voor dwaas houden: maar het zoude 'er met de Offerhanden niet verftandiger uitzien, wanneer zij in eenen eigenlijken zin eene genoegdoening voor de zondezouden zijn. 'Erkomtnog bij, dat dedoodbij de dieren een kwaad is, dat zij buiten dien te wachten hadden: de meesten , door de hand van den mensch opgebragt, fterven nog daarenboven eenen geweldigen dood, en of zulks onder de hand des flaagers of des Priesters gefchiede, is voor hun een en het zelfde. Dus is de ftraffe, die aan hun geoefend wordt, eene fchaduwc, een blindweik, een niets.

Maar verzoenings- offerhanden kunnen ook nog eene derde, eene redenmatigere uitlegging lijden , en die moet men ter eer van het gezonde menfchen- verftand niet verzwijgen ; alleenlijk dat zij dan eene Godlijke intlelling vereifchen. God konde op ernstig berouw en op ernstige verbetering , dit zoude altoos de voornaamfte voorwaarde blijven, zonden kunnen vergeeven , maar deeze vergeeving aan die neven- voorwaarde binden, om een Offer te brengen, en zulks met deeze twee oogmerken ,

iJ dat een ieder, welke vergeeving begeerde , te vooren eene openlijke belijdenis van zijne zonde zoude afleggen. 2) Op dat hij aan het Offer de ftraffe, die hij verdiend heeft, den dood, en nog ftraffe na den dood (gelijk het gedachte Offer verbrand wordt) voor «ogen zage eu erkende aan deeze ftraffe fchuldig.

Sluiten