Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HET DERDE FRAGMENT. §.7.

monifche Menfchen zelve, maar, dat deeze bewoordingen wjrkelyk Damonen en kwaade Geesten beteekenen.; zoo volgt daaruit nog geenszins, dat ik mét deeze - Damonen en' kwaade Geesten; eene Metamorphofe heb voorgenomen en dezelven , door ze eene Hypothefe te noemen, tot iets anders gemaakt heb , dan 'tgeen zy in het Gefchiedverhaal der H. Evangelisten zyn. Neen! terwyl ik dezelven eene Hypothefe noemc, laat ik ze ten vollen blyven, 't geene zy in het Gefchiedverhaal zyn. 'Want: die Daemonen en die kwaade Geesten, waarvan de H. Evangelisten gewaagerï, waarvandaan hadden zy die gehaald? Uit wiens Mond en in wiens School hadden zy

die (gewaande) Weezens leeren kennen? .

Hadden zy die Daïmonen, die kwaade Geesten, het eerst uit den Mond en in het School der waarheid, door het onderwys van lefus leeren kenrien ? — tieeft jefus ooit ofte ooit eene beftemde en duidelyke verklaaring, van de zoogenoemde Demonen gegeeven, en met ronde woorden gezegt : 'er zyn Damonen en deezen zyn, als kwaade Geesten, de waare werkende oorzaaken, van die vreesiyke uitwerkingen, welke men by zommige ongelukkige Lyderen ontmoet? Immers Neen! En waarvandaan? uit wiens Mond? en uit wiens

School hadden zy dan dezelve ontfangen?

De gefchiedenis antwoordt op deeze Vraag duidelyk en op eene voldoende wyze : uit den mond van het gemeene Volk, in wiens taal, of Volkstaal*

Sluiten