is toegevoegd aan uw favorieten.

Verklaaring over het Nieuwe Testament.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Euangelium. Hoofdft. XXII: 3-—10. 227

vers 42. alwaar de Bouwlieden «< èixtfoftéms, genoemd worden. 'o< xixhï,u.k*oi betekent dus de Gaften. Eigenlyk is hy alleen een Gaft, die by de maaltyd reeds verfcheenen is op de gedaane noodiging. Maar men noemt zelfs in onze taal dezulken reeds Gaften, die genoodigd zullen worden: en Gaften noodigen, betekent Menfchen verzoeken, dat ze Gaften gelieven te worden. Op dezelfde wyze worden ook in onzenText,zy, van welken men geloofde, dat ze op de noodiging tot het Gaftmaal zouden komen, voor uit reeds »« xixhupthn genoemd. Waar uit Wy met genoegen zien, dat Luther de eenige Overzetter is, die dit regt heeft getroffen. Alle anderen ftellenons eene noodiging van reeds genoodigden voor; het welk den Leezeren niet anders dan vremd kan voorkomen.

vers 9: Zydwegen. Dit heb ik in myne overzetting hiet wel vertaald. Want het volgend vers bewyft, dat men er de gemeene wegen voor de ftad door moet verftaan.

komen naauwkeurig overeen met de den Gnckfchen Bybel, Psalm. ï: 3. Dewyl nu deze laatfte de vcelerlei waterloopen uit eene Bron betekenen, waar van de één hier, een ander daar heen loopt, enz. zo zyn de JWfaki t«» de veele wegén, die uit de ftad gaan, naamlyk uit zo veele poorten en uitgangen der ftad. Waarom ik nu zie, dat men onze plaats dus moet overzetten: zo gaat nu heen op wegen die op de poorten der ftad uitkopen.

vers to. Zó we' kwaaden, als goeden. De Menfchen die door Christus en zyne Apoftelen tot het Hemelryk geroepen werden, waren nog geene Chriftenen : hoe kunnen zé dan hierin kwaaden en goeden verdeeld worden? Zy waren immers al tezamen nog kwaad. Het antwoord van D; Lange , dat ze goeden genoemt wierden uit aanmerking Van hunnen volgenden toeftand, kan ons niet voldoen. Want de Knechten bragten ze, zo als zy ze vonden.Des vonden zy deels kwaaden, deels goeden. De regte verklaaring geeft ons de Euangelifche Gefchiedeni* zelve aan de hand, waarin de Menfchen verdeeld worden in Tollenaars en Zondaaren, dat is, zonder fchaamfe en fchroom in allerlei zonden leévende Menfchen, P 2 ea