Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

( 3o)

Wat heeft de mensch een dierbaar voordeel,

Verr' boven alF wat ieven heeft! Begaafd met wil, verftand, en oordeel,

Is hy 't, die alles wetten geeft: flij is Gods proeffluk hier beneden;'

Gefchapen naar zijn evenbeeld; Befchonken met het licht der reden,

Met een' onfchatb'ren geest bedeeld. Heeft hij de fpraak niet in 't bijzonder?

Doet hij zich niet door fchrift veriiaan? Is zijn geheugen niet een wonder,

Welks werking niemand na kan gaan? Wat kunften, wat al wetenfchappen

Heeft God in 's menfchen brein geleid! Zijn' kennis groeit fteeds aan bij trappen,

En mooglrjk groeit ze in eeuwigheid. Hij kent de fchoonheid der geluiden

In zang en fpel en poëzij; Bereidt uic mijnen, dieren, kruiden,

In ziekte zich eene artzenij. Zijn' wijsheid ftreeft, ais op de pennen

Eens vluggen vogels, 't aardrijk door; Leert de Almagt in haar werken kennen,

Ja baant zich door de zee een fpoor: Hij vreest geen onbetemb're baaren,

Om, door zijn weetlust opgewekt, Naar and're kusten heen te varen,

Daar hem 't kompas ten gids verftrekt. Hij peilt de diepten van de gronden;

Ja meet de breedte zelfs van de aard', En fchetst haar' omtrek in twee ronden

Naauwkeurig op een' kleine kaart. De wiskunst voert door 's hemels kringen

Hem naar 't geftarnt', naar zon en maan,

Hij

Sluiten