Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

( 235 )

isiil uit de werken der wet geen vleescb voor God gerechtvaardigd za! worden, te meer dewijl het bedenken 'des vleeschs vijandfchap tegen God is, zich aan de wet Gods niet onderwerpt, ia niet kan onderwerpen. Wanneer nu een mensch zich, volgends de leerftellir.gen van den Christen Godsdienst, God voorftelt als heilig, rechtvaardig, een wreeker en zeer grimmig, wiens troon fchü/ert van blikfemen, terwijl donder en onweders hem ontzaglijk maaken, hoe zal zulk een mensch, ten zij hij voor zich ook het Euangeli omhelst en gelooft, liefde tot God, en liefde tot zijnen naaften kunnen bezitten? hoe zal bij met lust en blijdfchap zich zeiven verloochenen, en met opoffering van zijn belang of zinlijk vermaak het pad der deugd betreden ?

Men beproeve ééns, om zodanig iemand goede Iesfen en vermaaningen voor te fchrijven, zij zullen even zoo min kracht bij hem kunnen doen , als alle vertrooftingen, die men hem toedient in omftandigheden, zoo lang hij geen Christen is met de daad, dat is, zoo lang hij niet gelooft — Op alle toegediende vertrooftingen zal zijn antwoord wezen: Deze betreffen mij niet, maar alleen de uitverl-oorneu, de begenadigden; — Op alle vermaningen zal hü deze uitvlucht inbrengen , dat hij onmagtig is tot eenig goed, en dat genade hem moet veranderen en in ftaat ftellen. , , ,

Waarlijk men kan de gevolgen met berekenen van deze rampzalige ongelovigheid — De één wordt moedeloos droefgöeftig, en valt zelfs in een doodhjke wanhoop- 'de ander, toch van zich zeiven vastftellende, dat hij buiten de Godlijke genade ten minften tot hier toe is, ontfhat zich van alle banden en verpligtingen, en zoekt, zoo veel mooglijk, alle gedachten aan God ter zijde Hellende, van deze wereld en derzelver goederen zoo veel te genieten, als hij in zijne magt heeft, en alle gelegenheden daar toe waar te nemen.

Nademaal het de aart van alle kwaad is, het zedelijke niet min dan het natuurlijke, dat het fteeds verder en verder om zich tast, en zijne befmettingmeer en meer verfpreidt, zoo ziet men, waarom ik gezegd heb, dat de uitzichten voor het toekomende allerakeligst zijn.

Niemand behoeft zich te verwonderen over bet geen G g 2 i !£

Sluiten