Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

( «3» )

ge bedaagde Juffrouwen. met mijn vrouw en klein Wnd, toen een Jongetjen van drie of vier jaar , het welk een viöoltjen hadt, zoo als men voor de kinderen heeft. De ééne Zuster maakte aanmerking hier op , dat mijn kind een viool hadt, een inftrument der ijdelheid 1 maar de andere Zuster nam onmidlijk het woord op , en zeide: O Zuster! ik heb gehoord, dat Profr. bonnet te Utrecht zelfs op de viöol fpeelt, en dat zou die man niet doen, indien het zonde ware! Ik nam toen gelegenheid , om een woord met die goede menfehen te verwisfelen , over zoodanige vooröordeelen omtrent naamen van menfehen, zonder te onderzoeken, wat er verders van de zaak zelve ware; nu, eusebius, past dit toe, de naam van Profr. bonnet, dien ik echter hoog verëere , doet niets uit, of wij al, dan niet, flellige denkbeelden van God hebben. — Ik ben zulk een vijand van naamen van menfehen, daar ik de gelijkheid der menfehen , bijzonder in den Theologifchen zin, tot mijne grondftelling heb, want met mthee zeg ik, dat de grootde Heilige, die ooit onder de bloote menfehen geleefd heeft, op geene andere wijze zalig is geworden , dan ik mijne zaligheid verwacht, te weten, enkel door de Genade van onzen God in christus, dat ik u verzeker , eusebius, dat brem allerellendigst heeft misgetast, als hij Bladz. 673. van mij vermoedde , dat ik niet ongezind fchijne, mij aan het hoofd te (lellen van wie het dan ook wezen moge, van welke verdenking ik geene andere reden heb kunnen opfpooren, dan die in het gemeene fpreekwoord gelegen is: Zoo als de waard is, zoo vertrouwt hij zijne gasten.

eüsebiüs. Wel, mijn Heer, gij fpreekt ruiterlijk door, bedenk echter, dat de Heer brem van U fchrijft Bladz'. 680. „ Voor het overige, daar ik, behoudens al het gezegde, de groote Talenten van den Schrijver hoog waardeere, en zijne onnavolgbare vlugheid bewondere, 2al het mij ten hoogden aangenaam zijn, door zijnen geleerden arbeid in 't vervolg geleerd en gedicht te worden» Is dat niet vriendelijk, daar hij zich echter

Bladz. 670. beklaagt, dat gij fpotnaamen uitdeelt, en blijken van wangunst of ongezindheid hebt doen uitkijken ?

ik. Mijn waarde eusebius, ik ben niet gezet op zulke groetenisfen; hoe vaart gij mijn broeder? terwijl men

Sluiten