is toegevoegd aan uw favorieten.

De welmeenende raadgeever.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C 174 )

wil te doen , maar nooit met recht. Zijne meerdere magt geeft hem, op zich zelve, geene heerfchappij. —. Nog minder rijkdommen of bezittingen, welke het bijsonder eigendom van iemand zijn, maar door welken hij mij, mijn» ondanks niet kan dwingen, om hem eenige gehoorzaamheid te bewijzen.

Dit alles behoort dan , met recht, geenen invloed te hebben op de waare gronden der Maatfchappij, welke geen plaats kan vatten dan tusfehen gelijken , die zien met eikanderen verëenigen tot het algemeen welzijn, en het daar aan ondergefchikt geluk van elk bijzonder lid

der Maatfchappij. Alle de leden der Maatfchappij

hebben dezelfde wezenlijke rechten, en zijn daar in aan eikanderen gelijk, en moeten ook door dezelfde wet beftuurd en op deze wijze de algemeene belangen der Maatfchappij gehandhaafd worden , in dit opzicht, moeten volftrekt alle leden gelijk ftaan, nademaal de wet alleen het middelpunt van verëeniging der Maatfchappij moet uitmaken. Niemand moer in dezelve zoo groot wezen, dat hij de wet niet behoeve te ontzien, en niemand zoo' gering, dat de wet hem niet zou bandhaaven bij ziin recht.

Maar, het geen hier het voornaamfte is, de grootiïe ongelijkheid tusfehen de menfchen beftaat in hunne deugd of ondeugdzaamheid. De deugd verheft den mensch, die ze betracht, verre boven zijnen natuurgenoot, die de flaaf der ondeugd is; de rechtvaardige, zegt salomo, is Voortrefliiker dan zijn naasten. — Ja, dit gaat zoo' verre, dat de a*me man, die deugdzaam is, en zijnen pligt betracht-, in het oog van den wijzen onëmdig meer te fchatten is, dan de rij! aart en vermogende, die zijne rijkdommen misbruikt, om zijne fnoode lusten te boeten, of anderen te onderdrukken. De eeifte is niet alleen een nuttig lid der Maatfchappij, maar hij kan er zelve de fteun van wezen, daar de laatfte verwarring, twist, wanorde, en alle verderflijke handelingen veroorzaakt, door welken eindelijk de Maatfchappijgn orngekeerd worden en te niet gaan. — Naar mate ook van de meerdere of mindere trap van deugdzaamheid, is de ééne mensch voorrreflijker dan de andere , voor zoo verre elke maatfchappij er het hoogfte belang in heeft,

dat