Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Euangelium. Hoofdft. XVI: dj Hï

daan heefu Zoo leezen wy ook, Josda VII: I. De kinderen Israëls vergreepen zicb aan bet verbannene. Want (dat is, naamlyk) Ai ban badt iets van bet verbannene genomen. Deeze uitdrukking wordt vs. 11. herhaald: dat de kinderen Ifraèls van bet verbannene genomen hebben. Maar vs. 20. wordt uitdruklyk gezegd, dac Achan het alleen was, die dit gedaan hadt. Op dezelfde wyze vinden wy 2. Kon. XVI: 3. van den Koning Achas, dat hy zynen zoon, naar de wyze der Heidenen, door het vuur heeft laacen gaan: hoewel 'er 2. Chron. XXVIII: 3. van zyne zoonen gefproken worde. Hese non pugnant, fchryft Clericus by deeze plaatze; plurali enim ulifolemus, etiam cum loquimur de uno, quando nihil intèreft accurate loqui. Dus leezen wy insgelyks j Gen. IX: 29. dac Godt de ftêden, in dewelke Loth gewoond hadt, heeft omgekeerd. En Recht. XII: 7; Wordt óns verhaald, dat Jefta in de fteden van Gilead begraaven is. Op den zelfden trant fchryft Sirach* kap. Xl.VIII: 8. dat Elias Propheeten naa zich heeft aangefteld; hoewel hy niet onkundig konde zyn, dat Elias, niemand dan Elisa, tot zynen opvolger be^ noemd heeft. Men kan hier noch byvoegen, dat Zach. IX: 9. het veulen eenér Ezclinne, het veulen der Ezelinnen, en Recht. XIV: 5. een jonge Leeuwj de Zoon der Leeuwinnen genaamd wordt»

Ook in de fchriften van bet Nieuw verbond ontbreekt het aan foortgelyke voorbeelden niet. In het Evangelifch verhaal van Mattheus komen 'er ons twee, van dien aart, voor. Toen Herodes geftorven was, werdt Van hem gezegd, kap. II: 20. die den kinde na het leeven, .[tonden, zyn geftorven-. En als wy, kap. XXVII: 44. lee-< zen: bet zelfde verweeten hem ook de moordenaars; hebben wy Lukas tot getuigen, dat maar één van hun dit gedaan heeft; en wy kunnen 'er met volle zekerheid uit afneemen, dat Mattheus zich hier van het meervouwige bediend heeft j om het enkelvouwige te betekenen. En beeft dezelfde manier van fpreeken geene plaatze* wanneer meri Mark.. I: 2. Joh. VI: 4tj en Hand. XIII: 40^ leeft: in de Propheetenj daar 'er on-

II. Deel Cj derius*

Sluiten