Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Euangelium Hoofdft. VI: 45—$t. 841

gehoor geeft; geeft Christus hun, terftondt daarnaa, m de volgende woorden, te kennen. Ik bedoel niet te zeggen, vaart hy voort, dat myn Vader onmiddelbaar tot u gefproken "en u onderweezen heeft, maar dat hy fpreekt door den geenen, die, als zyn ééngeboore Zoon, in zynen fchoot zit, en hem dus altoos in eenen eigenlyken zin ziet Deeze verklaaring geeft Johannes onï aan de hand, kap. I: 18. en zy wordt door Christus zeiven bekrachtigd, wanneer hy kap XIV: 9. zegt: die my ziet, ziet den Vader. Op beide deeze plaatzcn leeft men En dat dit, by ziet betekent, heb ik, by

vers 36. reeds getoond.

vrrs 50. Dat men daar van eete, en niet flerve. Het fchynt byna, als of Christus hier, gelyk in het voorgaande vers, van den tydlyken dood fpreekt, en den geenen, die aan hem gelooven, de toezegging geeft, van dien te zullen ontgaan. Miftchien heeft de geleerde Engelfchman, AsGill, zyn gevoelen ook op deeze plaatze gegrondvèft, toen hy in een boek, her welk in den aanvang van deeze Eeuw gedrukt is, beweerde, dat een Chriften , wiens geloof fterk genoeg was, ook den tydlyken dood niet zoude fterven, en dat hy zich door de fterkte van zyn geloof verzekerd hieldt, dat hy den dood niet ten prboy zoude worden. Dan hy heeft zich bedroogen, en is voor omtrent veertien jaaren, hoewel in eenen ongemeen hoogen ouderdom van weinig minder dan eene Eeuw, gelyk andere Menfchen , geftofven Christus heeft te vooren doen zien, dat dit de meening van zyne woorden niet was, toen hy, vers 29. en 4.0. betuigde, dat hy, ten jongden dage, de geenen die aan hem gelooven, tot het eeuwig leeven zal opwekken. Wanneer hy hier dan zegt, dat die van dit brood eet, niet zal fterven; wil hv zeggen: die van dit brood eet, dien zal ik, op den vaftgeftelden tyd, uit den dood opwekken, en hy zal naderhand nooit wederom fterven Deeze kracht hadt het manna niet het welk de Menfchen maar eenen korten tyd by het leeven hieldt.

vers 51. Ik ken het leevendig brood. Dat is, ik heb «iet alleenlyk zelf het keven, maar ook het vermogen, III. Deel. C» ' om

Sluiten