Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

518 Verklaaring ever Johannes

dat vers 17. uitdruklyk gezegd wordt, dit zy maar van éénen vifch gegeeten hebben, en wel van dien, dien zy op de kooien hadden zien liggen.

Dewyl nu hier uit genoeg blykt, dat de geheele voorgaande beuuittrekking ongegrond is, voor zoo verre de valfchbeid dier redekavelinge van zelf fpreekt, moeten wy thans onderzoeken , met hoedanig een oogmerk Jesus geroepen hebbe: brengt hier van de gevangene vijfeben. Te weeten, het was hun, welken'Jesus dit toeriep, noch niet allen bekend, dat het Jesus was, maar zy hielden hem voor een' ander' man, die vifch van hen wilde koopen. Het hadt te vooren onzen Zaligmaaker reeds behaagd, zich als een' gemeen' man te laaten aanmerken, toen hy hen, (vers 5) vroeg, of zy iets gevangen hadden, om het hem naamlyk te" kunnen verkoopen (m). Nu zegt hy, als een man, die hun noch onbekend was, dat zy, daar zy op zvnen raad eenen tocht gedaan hadden, eenige viffchen"by hem zouden brengen, als om hem te toonen, wat zy gevangen hadden. Dan toen zy nader by Jesus kwamen, en, zoo wel als Petrus en Johannes (miffchien wel, naa dat deeze het hun in het geheim gezegd hadden) overtuigd werden, dat het Jesus was, fprak onze Zaligmaaker hen niet meer als een vreemd menfch, maar als hun Heer aan, en gebiedt hun, zich teritond neder te zetten, en van hem eenen maaltyd aan te neemen; waar op hy zynen vifch en zyn brood onder hen uitdeelde , en hen daar mede wonderdaadiger wyze verzadigde.

IX. Ik heb te vooren (§. III) gezegd, dat dit wonderwerk tot hier toe door geenen Uitlegger is opgemerkt, cn aldaar de redenen voor dit myn gezegde op. gegeeven. Om hier van te zekerer overtuigd te worden , heb ik eene m'migte van Uitleggeren opgeflagen, die ik ten deele zelf bezitte, ten deele in eene grootere boekkamer van eenen myner vrienden en amptge-

nootcn

(m~) „Hy ftelt zich, als of hy vifch wilde koopen; en vraagt hen daar„ om, of zy iets gevangeu hadden, om te verkoopen", fchryft Gerhard, bl 417.

Sluiten