Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

der Apoftelen. Hoofdft. XXV: 12, 13. jar

de zaaken aftedoen. Deeze werden Byzitters en Raaden genaamd.)

Ten opzichte van deeze Byzitters en Raaden der Landvoogden vindt men nader beticht by Lardner,' de fide Hijhiïi® Evangelie® lib. 1, cap. 2, § 16. p. 183. ƒ5., en by te Water, in eene opzetlykc verhandeling, . die in het tweede deel der Mifcellanea Duüburgenfia, p. 51—ói te vinden is.

Ik merke noch aan, dat de rede, waarom de Land. voogd dit antwoord niet uit zich zeiven alleen gaf, maar vooraf zyne Raaden liet by zich komen, en derz.elyer goeddunken hoorde, onder anderen geweest is, op dat de Jooden meer op zyne Raaden, dan op hem, misnoegd zouden worden. Hy poogde op alle Wyzen te verhoeden, dat de Jooden geenen haat tegen hem opvatteden , het geen hem veei verdriets zoude hebben kunnen veroorzaaken.

Verfcheidene Uitleggeren, en daar onder Calovius, merken de volgende woorden, als eene toornige vraage van den Landvoogd aan, die zy denken, dat misnoegt was, om dat Paolus zich aan zynen Rechtbank onttrok, en hem daarom voorfpelde, dat deeze beroeping op den Keizer hem niets zoude baaten. Dan wy hebben te vooren reeds gezien, dat, en waarom, de Landvoogd met dit appél van Paulus zeer wel te vreede geweest is.

Onder deeze rede verwerpt, Lütherus niet alleen, maar ook Grotius, met het grootste recht, het vraagteken, het welk wy gemeenlyk in den Text vinden, en verklaart de woorden van den Landvoogd op volgende wyze: Wel nu, Padlus, gy hebt u op den Keizer beroepen ; ik neem dit appél aan , en zal u , gelyk gy begeert, na Rome laaten brengen.

vers 13. Naa eenige dagen kwam de Koning Agrip. pa , en Berenice te Ccefarea, om i'estus te verwelkoK k 5 * men.

Sluiten