Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Romenfcbe Christenen. Hoofdjl. XV: i}, 14.

taligheid. Dit is de betekenis der uitdrukkinge: «rtü

um 14. Ik uoeet zelf, wel is waar, ook wel van u, myne Broederen, dat gy zelve vol goedheid zyt, en ryk in Me kenmsfe, en ock in ftaat, om eikanderen te vermaanen. Thans befluit Paul ui deezenBrief, vooreerst, met eene vriendlyke aanipraak aan de Romeinfche Christenen , vers 14 tot 21; ten tweeden, met eene nieuwe belofte van zyne overkomfte, Vers 22 tot 28; ten derden, met een verzoek, om Godt voor hem te bidden, dat hy, van de vervolgingen der Jooden te Jerufalem verlost, en in ftaat gefteld mocht worden, om zyne voorgenome reize na Rome te volbrengen, vers 29 tot 33.

Indien een Staatkundig Christen dit befluit van dee. zen Brief met nadenken leest, zal hy bevinden, dat 'er niet flechts eene waereldlyke Staatkunde is, die by het Christendom beftaan kan, en Gode in geenen deele mishaaglyk kan geoordeeld worden, maar dat ook een Apostel van Jesus, en dus ook ieder Leeraar, die 'in zyne voetftappen treedt een Staatkuadige kan zyn. Paulus geeft hier tweeblyken van zyne Staatkunde (of Apostoliiche Wysheid.)

Voor eerst, dewyl het te duchten ftondt, dat de Romeinfche Christenen , ten minften fommigen hunner deezen Brief, waar in hy, voornaamlyk van Kap. XII af, hun zoo veele lesfen gaf, op de groote misbruiken en gebreken betreklyk, die onder hen in zwang gingen, niet met een vriendlyk oog zouden aanzien; tracht hy het harde en haatlyke daar van weg te neemen , door nu op het einde te fchryven: dac hy wel wist, dat zy zyne vermaaningen en herinneringen niet .behoefden, dewyl onder hen Mannen gevonden wierden, die niet alleen'zelve een goed leeven leiden, maar ook hunne Geloofsgenooten tot alle Christlyke deugden vermaanden; maar dat hy hoopte, dat zy zyne vrymoedigheid , om hen te vermaanen, niec ten kwaade zouden duiden, dewyl hy eeo Apostel was, en dus

dit

Sluiten