Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

rio

VYF-EN- TWINTIGSTE BRIEF.

Wel-Edele Gestrenge Heer en zeer ge-eerde Vriend!

Eer ik overga tot het bezoek by den Heer van Rykhuizen, zal ik' U befcheid geeven op het geen gy my vraagt, omtrent de uitlegging, welke de Heer Schrandergeest van het integreerendfchap heeft gegeeven. Voor zoo veel ik weet, myn Vriend, vindt men daar omtrent niets bepaalds by de Schryvers over het algemeen Recht, of het recht der Natuur en der Volken. Wanneer zy 'er gewag van maaken, fpreeken zy 'er meêr van op den voet van iets dat bekend is, als van iets dat bekend gemaakt zoude behooren te worden. Grotius, in zyn werk over den Oorlog en Vrede, B. II. H. VII. §• 4., handelende van 't vervreemden van zekere deelen van den Staat, zegt, dat die genen, die zich in eene Burgermaatfchappye begeeven, een aanhoudend en eeuwig genootfehap, ten aanzien der integreerende deelen , aangaan. Daar uit leidt hy af, dat het gantsch lichaam van den Staat geen recht heeft om 'er zoodanig deel van af te fcheiden ; en dat zoodanige deelen ook geen recht hebben om 'er zich van af te zonderen.

In het UI. B. H. XX. %. 4r. n. 2. fpreekt hy J van

Sluiten