is toegevoegd aan je favorieten.

Verhandeling over Gods voorschikkinge en genade.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

in de H. S. gewag word gemaakt. 16:

hen , dat eene zodanige gefteltcnis , welke het aangeboden woord met lust aanneemt, der Goddelyke genade, waarvan ai het goede afdaalt, toeteichryven zy; maar zo nochtans dat wy ftelien, dat eene gelyke huip den ongelovigen Joden niet ontbroken hebbe. Indien ze gene gelyke uitwerking in hen heef! yoortgebragt,is't geheeliyk aan hunne kwade inborst te wyten.

Deze fchynt ons toe de eenvouwige en niet verre gezochte zin der woorden te zyn. Die Willen, dat door Lukas op de voiftrekte verkiezing gezien word, merken met, dat zy de Joden vryfpreken van de misdaad van ongelovigheid en aan de verwyting des Apostels geen plaats laten. Want met welk recht kon het den Joden tot een misdaad gerekend worden , dat zy Gods woord verwierpen, indien zy hetzelve niet konden aannemen en God niet gewild heeft, dat het door hen aangenomen werde ? Of waartoe flrekte het verwyt aan hen, dat zy zicb dei eeuwigen leven; niet waardig oordeelden, 't Welk voor hen niet gefchikt was, en waarvan God hen volftrektelyk uitgeflo ten had ? Ik befluit dit ftuk met de woorden van H. de Groot over deze plaats ,, Zy, i, die deze woorden toepasfen op de voor„ fchikking en wel op de volftrekte, geïyk „ zy fpreken,, merken niets; want noch alle „ voorverördenden eener zelfde plaatze op „ den zelfden tyd geloven, noeh allen, die i, geloven, in dien zin Voorverördend zyn; „ nochte ook was dat geheim van elk in 't „ byzonder,wie ter zaligheid geraken zoude, j, wie niet, aan Lukas geopenbaard"..

L Ztlh

! VI.

HOOFDST.