is toegevoegd aan uw favorieten.

Gedachten van Jacobus Hinlópen, predikant te Utrecht, over eenige plaatzen en zaken, in de Heilige Schriften voorkomende

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HET OOGMERK VAN ELIHU's REDENEN. ÏOQ

vuur en drift was, niet minder welfprekend dan de oudere vrienden, en zich verbeeldende, dat hy, al ware hy jonger, en al had hy daarom gewacht met fpreken, het beter wist, dan Job en zyne vrienden. Deze vrienden zwegen, omdat zy merkten, dat Job rechtvaardig was in zyne oogen, en dus alle hunne redenen niets op hem vermogten: maar, al zwegenze, zy lieten niet na, Job te verdoemen , en te houden voor eenen, die, om zyne misdaden, van God, met deze rampen, bezocht wierd. Dit kon Elihu niet verdragen : hy meende, dat er een ander oogpunt ware, waaruit men deze (haffen Gods over Job befchouwen kon, en Job tot vernedering brengen. Dit oogpunt aan te wyzen, daardoor Job te vernederen, en zoo de vrienden ter hulp te komen, fchynt de bedoeling zyner redenen te wezen.

Zoo weinig, als de overige vrienden, kon Elihu verdragen, dat Job zeide: ik ben rein zonder overtreding; God vindt oorzaken tegen my. Daarin oordeelde hy, dat Job niet rechtvaardig was, en bragt hem onder het oog, fV) dat hy geen verdedigend andwoord van Gods doen te wachten had; dat God, ter voorkoming van de kastyding, wel ééns en andermaal, zonder dat men er op lettede, een mensch waarfchouwde; dat Hy hem ook wel eene zware doodlyke krankheid zond, (£) en, ia ^ezeivtj ., ^enen uitlegger, om hem zynen plicht te verkondigen, en hem zoo weder tot gezondheid en belydenis van

zy-

0») xxxni. (,£) Verg. Genef. xm en xx. H3