Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VOORZEGGINGEN, ONDER VOORWAARDEN. 23I

beduid hebbe, dan hetgeen daar letterlyk gezegd wordt, hetwelk evenwel van zeer vele zaken niet vóeglyk gefchieden kan. Maar, hetgeen ons van alle die zwarigheden ontheft, is, dat de Profeet gelast wierd, den volke Israëls hunne zonden, om welke God op hen vertoornd was, voor te houden, en, indien zy fchaamrood over dezelve wierden, hun dan alle die veranderingen en verbeteringen te wyzen, opdat zy die zouden onderhouden, (a) Indien wy nu vooronderilellen, dat zy naar dat woord niet gehoord, niet fchaamrood geworden zyn, dan vinden wy de reden, om welke alle deze verbeteringen, na de Babylonifche gevangenis, niet zyn ingevoerd geworden, en dan is dit gezicht een getuigenis van hunne vorige afgoderyen, onderdrukkingen en gierigheid, en hun aankleven aan dezelve, ook nog na hunne wederkeering uit Babel.— Meermalen worden de Israëliten, door Jeremia en Ezechiël, (bj voor, en, in, Babels gevangenis, getroost met de wederkeering, niet alleen van Juda, maar ook van Israël, in het land van Canaan: maar wy weten, dat, fchoon er uit alle ftammen zyn wedergekeerd, fchoon alle de vryheid hebben gehad, om 'weder tekeeren, en velen op de feesten daar verfchenen zyn, de meesten echter, tegen Gods vermaningen, verkoren (V) hebben, hunne woonplaats in het land hunner gevangenis te houden.

(aj xliv: 7—ir.

O) Jerem. xxxu. xxxni, Ezech. xxxvi. xxxvu, (c) Zach. 11: 6,7.

O 5

Sluiten