Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wierd, en zonder welk het wonderwerk niet gefchieden zou; en gelyk Israël, wanneer het ten ftryde zou gaan, en geloofde, dat de Heere met hun zou wezen en voor hun ftryden, daarvan zeker was, door het geloof, zonder hetwelke zy dat geluk niet hebben zouden (V); even zoo zyn wy zeker van onze zaligheid, door het geloove, welke wy, zonder dat geloove, niet verkrygen zouden. De belofte Gods wacht niet op onze bekeering en volharding in goede werken, maar moedigt ons tot dezelve aan, en, door het geloof aan Gods beloften, worden wy y verig in het voordbrengen van vruchten der bekeeringe waardig.

Dit geloof nu verfchilt zeer veel van eene verbeeldinge, welke iemand uit groot verlangen, dat iets waar mogte zyn, zich zeiven opdringt: want, behalven, dat het op Gods getuigenis gegrond is, en ons dat, in ons binnenfte, doet hooren, zoo is het niet uit ons Wy hebben geene groote begeerte naar de zaligheid in en na dit leven ; wy hooren de overtuigingen van onze zonden , die ons veroordeelen, en de toezegging van de genade Gods in Chriftus, alsof het anderen, maar niet ons, betrof: totdat God onze harten opene, zoodat wy *er, voor ons zelvcn, acht opgeven; elk oazer zichzelven kenne als een verloren zondaar, aan deze en die zonden

fchul-

(a) Mark. xi: 23. Vcut. xx; 3 , 4. verg. 2 Chron, xx:2o.

(b) Ephef. u. 8.

Sluiten