Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

z6 Over den hiftor. Styl der Oudheid.

melyk de voornoemde uitdrukkingen van dett eerften tyd, door laatere Schryvers worden bybehouden, dan neemen deezen daar mede niet noodzaaklyk de dwaalingen aan, waaruit dezelve in de eerfie tyden ontflaan zyn. Wanneer Mozes b. v. met de woorden van de gryze oudheid zegt: En de Slange [prak. Gen. III. Of Num. XXIV: Toen deedt de Ezelin van Bileam dsn mond open: dan mogen wy hieruit niet befluiten, dat volgens zyne meening, de Slange en-de Ezelin werkelyk gefprokcn hebben. Want geen mensch gelooft, dat i) Pindarus en Virgilius het goede Gerucht, de Nacht enz. voor wezenlyke Perfoonen gehouhebben; of 2) dat Paulus Ram. VI. 7. zeggen wille, dat de Zonde werkelyk geleefd,, gelproken en gedood zoude hebben.

V) De Oudheid kende de vcrfchillende foorten van Oorzaaken, de werkende, aanleidende, floflyke en eindelyke Oorzaak niet. Over't algemeen verwifièlden zy dikwyls de Werkingen met derzelver Oorzaaken. Nog minder kenden zy de Wetten der Natuur, om Wonder-werken van middelbaare Werkingen des Scheppers te onderfcheiden. Alle Gefchie-

deniflèn

Sluiten