Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VAN HET JOODSCHE VOLK. 2I3

eene genoegzaam duidlijke melding was gemaakt, kon Paulus met goed recht aandeEpheficrs fchrijven, dat God hem door openbaaring had bekend gemaakt deeze verborgenheid, die in andere eeuwen den kinderen der menfehen niet was bekendgemaakt, gelijk zij nu geopenbaard werd, naamlijk, dat de Heidenen mede ervgenaamen der beloften in Christus door het Euangelie zijn (Th). En hoe veel te meer moest dit ftuk dan verborgen blijven, vooral bij menfehen, tegen wier begrippen het inliep en wier gemoed niet gezuiverd was van vooröordeelen , om waarheden van die foort aan te neemen.

Jaa! wanneer wij overweegen , wat er bij dat volk zal moeten omgaan , eer dit gewrocht zal worden daar gefteld , dan blijvt de zaak nog grootendeels een voorwerp van ons geloov, meer dan van onze bevatting —- hot? een volk geheel onkundig niet alleen van , maar ook zoo bitter vijandig tegen de leere van Christus, als vastgekleevt aan het ijdel vertrouwen op eige gerechtigheid en de voorrechten van hunne afkomst en Godsdienst — ftijv geworden op den droefem van ongeloov, onbefneeden van hart en ooren (O, en zoo verhard van

ge-

C/O Eph: in : 3*, 5a, 6. (i) Hand: vu : ji.

O 3

Sluiten