Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

228

DE GEEST

XVIII.

B O & li, XX.

HOOFlV STUK.

zijn zeer wreed, wanneer zij overwinnaars zijn. Zij laaten alle de ingezetenen van die fteeden, welke zij inneemen, over den kling fpringen , en verbeelden zig, dat zij hun zeer genadig behandelen, wanneer zij hun verkoopen , of onder hunne foldaaten als gefchenken uitdeden. Zij hebben Jfia, van de Indien af, tot de Middelan.li'che zee toe , afgeloopen, en die geheele landstreek , welke het oosten van Perfien uitmaakt, is nog door hun toedoen eene woestijn.

Het navolgende komt mij vóór de reden te wezen van een zodanig recht der volkeren. Deeze volkeren hadden geene lteeden ; zij voerden alle hunne oorlogen met fpoed en met drift ; wanneer zij kans zagen om de overwinning te behaalen , dan leverden zij flag ; dog wanneer zij daar geene hoop op hadden , • dan verfterkten en vermeerderden zij hun leger zo veel zij konden. Daar zij zodanige gewoonten hadden , oordeelden zij, dat het tegen hun recht der volkeren ftreed, dat de inwooners van eene ftad, welke in het veld tegen hun niet opgewasfehen zouden zijn , hun konden ophouden. Zij merkten dus de lteeden niet aan als eene vergadering van burgers, maar als plaatfen, welke men gefchikt had, om zig aan hunne magt te onttrekken; zij verltonden niets van de kunst om dezelve te belegeren ; en zij gaven zig in het belegeren altijd fterk bloot. Dus wreekten zij, bij de inneeming derzelve , al het

bloed,

Sluiten