Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DER' WETTEN. S7

tusfchen onze Franfche wetten, en die van Italië en Spanjen, op het recht van lijfeigendom.

De overheerfching was het werk van een ogen-" blik y en het recht der volkeren , van 't welke men zig in dezelve bediende , bragt wel eenigen lijfeigendom voort , maar het gebruik van datzelfde recht der volkeren , geduurende verfcheidene eeuwen , was oorzaak, dat de lijfeigendom tot in hec oneindige uitgebreid wierdt. (I)

Theodorik (ni) gelovende , dat de volkeren van Auvergne hem niet getrouw waren, zeide tegen de Franken, die tot zijn aandeel behoorden: ,, volgt

mij, ik zal ulieden in een land brengen, waar ,, gijlieden overvloed van goud, zilver, gevange„ nen, Ideederen , en vee zult vinden , en van ,,, waar gijlieden alle de menfehen mede naar uw

land zult voeren."

Na het fluiten van de vreede (V) tusfchen Gonfrand en Chilperik, kreegen die geenen, welken

Bour-

(7) Ik zou lievergefooven, dat men zig in alle deeze gebeurtenisfen in het geheel van geen recht der volkeren bediende, dog dat de omftandigheden, de aart en loop der zaaken alles volgens een zeker gebruik regelden, aan het welke men niet, dan zeer oneigentlijk, den naam van een recht geeven kan. Aanm. van eenen Onb.

(tn^ Gregorlus van Tours, 3. boek.

(«) Gregorius van Tours, 6. boek, 31. hoofdft.

XXX. !OEK. Xf.

10OFD» STUK.

Sluiten